dinsdag 6 maart 2012

De waarde en beperkingen van het wetenschappelijk naturalisme en een revisionair alternatief

Referentie:

Bogaerts, Peter, De kritiek van David Ray Griffin op het wetenschappelijk naturalisme en zijn whiteheadiaans alternatief, Masterscriptie wijsbegeerte Universiteit Antwerpen, januari 2012, promotor: Luc Braeckmans, xiii+202 p. 

Informatief extract:

David Ray Griffin was tot zijn engagement in de ‘9-11 Truth’- beweging voornamelijk bekend als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de procestheologie en het whiteheadiaans procesdenken. Een belangrijk deel van zijn werk kadert in een na te streven harmonie tussen “twee grote, maar verdraaide waarheden”: het natuurwetenschappelijk georiënteerde denken (‘wetenschappelijk naturalisme’) en het christelijk geloof. Daarin toont hij zich erg kritisch, zowel ten opzichte van de hoofdstroom van het wetenschappelijk naturalisme als het traditionele theïstische denken (‘supernaturalisme’). In dit werkstuk zal grotendeels voorbijgegaan worden aan de godsdienstfilosofische en theologische kritieken en oplossingen die hij formuleert ten aanzien van het supernaturalisme. De bedoeling is zijn kritiek op het wetenschappelijk naturalisme van naderbij te bekijken. Deze kritiek richt zich voornamelijk op de ontologische lijn die men in discussies over het naturalisme terugvindt: het wetenschappelijk naturalisme als hedendaags materialisme. Volgens Griffin is dit naturalisme niet alleen vijandig ten opzichte van de religie maar eveneens inadequaat voor het wetenschappelijk denken zelf. Vervolgens verdedigt hij het wetenschappelijk én religieus naturalisme van Alfred North Whitehead als een bestaand en beter alternatief. In een aantal inleidende stappen is het de bedoeling zowel de figuur David Ray Griffin als de plaats die zijn dialoog met het wetenschappelijk naturalisme in zijn oeuvre inneemt, te schetsen. Na een historische en inhoudelijke karakterisering van het wetenschappelijk naturalisme worden zowel Griffins invulling, kritiek en alternatief uit de doeken gedaan. Naast de manifeste ontologische lijn zal ook gezocht worden welke methodologische lijn men in het werk van Griffin kan herkennen met de vraag hoe hij de filosofie positioneert ten opzichte van de wetenschappen en hoe men hem kan plaatsen ten opzichte van actuele vertegenwoordigers van de naturalistische wending in de analytische filosofie. Vanuit die vergelijking wordt er een kritiek op Griffin ontwikkeld die stelt dat Griffins positie niet als naturalistisch kan beschouwd worden en dat Griffin onvoldoende oog heeft voor het verschil tussen speculatief en wetenschappelijk denken. Tot slot zal kritisch gereflecteerd worden over het karakter van het wetenschappelijk naturalisme, de verhouding tussen natuurwetenschappen en filosofie en hoe er een evenwicht kan gevonden worden tussen revisionaire en conservatieve visies op de natuurwetenschappen. Om voldoende plaats te houden voor een eigen filosofisch project wordt het wetenschappelijk naturalisme als een goed startpunt voor interactie met de natuurwetenschappen beschouwd, maar een te beperkte positie om nieuwe brede filosofische visies te ontwikkelen.

Creatieve commentaar:

Dat Griffins positie niet naturalistisch kan genoemd worden, zal weinig mensen die maar het minste vertrouwd zijn met zijn werk niet echt verwonderen, alleen al vanuit de idee dat Griffins vurige godsverdediging en het wetenschappelijk naturalisme niet goed samengaan. Griffin maakt echter heel duidelijk waarom zijn positie wel als naturalistisch kan beschouwd worden. Door een gebrek aan zelfreflectie en historisch besef binnen het wetenschappelijk naturalisme kan Griffin namelijk het wetenschappelijk naturalisme zo definiëren dat hij zijn procestheologisch perspectief ermee verzoend krijgt. Dit gebrek aan omlijning en reflectie in het wetenschappelijk naturalisme heb ik in mijn werk vanuit voornamelijk een historisch perspectief proberen goed te maken. Historisch, omdat ik wilde kijken naar de concrete manifestaties van het wetenschappelijk naturalisme en een alternatief wilde bieden voor de geschiedenis die Griffin zelf van het in zijn ogen ‘verstoorde’ naturalisme heeft geschetst. Dit kan men als een naturalistische benadering van het naturalisme beschouwen. Hieruit wordt duidelijk dat er zowel in Griffins definitie als geschiedenis van het naturalisme verschillende dingen over het hoofd worden gezien die essentieel zijn om het wetenschappelijk naturalisme te begrijpen. Het belangrijkste dat wordt over het hoofd gezien is een onderscheid tussen wetenschappelijk en speculatief denken. Die verwaarlozing is een vrij algemeen fenomeen in discussies vanuit of over de wetenschappen en zorgt voor heel wat verwarring. Dit onderscheid is volgens mij ook niet strikt te maken, maar het is wel belangrijk want het bepaalt de modellen van waaruit men de werkelijkheid benadert. Dit onderscheid manifesteert zich historisch als het tot een breuk komt tussen metafysica en natuurfilosofie van het einde van de zeventiende eeuw (vnl. door Newton). Die breuk betekende natuurlijk niet dat metafysische vooronderstellingen geen invloed meer hadden op het wetenschappelijk discours, verre van, maar dat het natuurwetenschappelijk discours niet meer (en met vallen en opstaan) werd geplaatst in het teken van een metafysisch systeem of ‘wereldbeeld’. Zoals Stephen Gaukroger aanbrengt veranderde hiermee de identiteit van de natuuronderzoeker. Op metafysisch vlak werden de natuurwetenschappen opportunistisch, het kwam er op aan om controleerbare en zekere kennis te produceren in plaats van wilde speculaties in het kader van een wereldbeeld te berde te brengen. Het is echter belangrijk te herkennen dat het speculatieve in de natuurwetenschappen nooit volledig verdwijnt en altijd een cruciale rol blijft spelen. Griffins alternatief voor het wetenschappelijk naturalisme heeft echter geen oog voor de aard van de antwoorden waar men in de natuurwetenschappen naar op zoek is. Op wetenschapsfilosofisch vlak kan men hem een ‘interventionist’ noemen. Hij ziet duidelijke tekorten in het wetenschappelijke denken en het naturalistische denken dat de beperkte opzet van het wetenschappelijk denken als limiet voor het filosofisch denken neemt, en lost die op met een (metafysisch) alternatief. Hierbij vergeet hij dat de concreetheid van wetenschappelijke processen niet te vervangen is door die van het metafysische denken, hoe toepasselijk of inzichtelijk die ook mogen zijn. Men mag dus wetenschappelijke kennis en metafysische inzichten niet zomaar op een hoop gooien en in concurrentie met elkaar plaatsen. Een grotere wetenschapsfilosofische voorzichtigheid is geboden. Maar ook vele naturalistische filosofen maken cruciale fouten die eveneens rusten op het miskennen van het verschil tussen het doel van een metafysica en die van het wetenschappelijk bedrijf. Het verwijt van 'misplaatste concreetheid' kan dus in twee richtingen gelden: zowel voor de wetenschapper of naturalist die zijn abstracte modellen maakt op maat van een beperkt deel van de werkelijkheid als de werkelijkheid zelf ziet, als de filosoof die de specifieke concreetheid van wetenschappelijke modellen over het hoofd ziet door er kortweg metafysische modellen tegenover in de plaats stellen. Het is dus zowel belangrijk de wetenschappen in een levensvatbaar filosofisch kader te plaatsen dat van meetaf aan oog heeft voor de hele werkelijkheid en niet alleen dat deel dat in de wetenschappelijke methodologie past, als de onvervangbaarheid van het wetenschappelijk bezigzijn expliciet te erkennen.

zondag 4 maart 2012

Het vieren van de ‘herbetovering’ als eerbetoon aan het werk van David Ray Griffin

Referentie:

Center for Process Studies, "Celebrating Reenchantment: The Philosophical, Religious and Political Thought of David Ray Griffin", 12-14.04.2012, Claremont School of Theology, http://www.ctr4process.org/news-events/conferences/Celebrating_Reenchantment/

Informatief extract:

This spring, the Center for Process Studies will celebrate the lifetime achievements of one of its founders and co-directors, David Ray Griffin. The scope of the conference has been developed to encompass the principal strands of Griffin's thought on philosophical, religious, and political thought. Thirteen presentations will be made during the three-day event, followed by Griffin's reprise of his scholarly journey and a banquet on Saturday, April 14.

Creatieve commentaar:

In april ga ik naar Claremont om eindelijk de theologen en filosofen bezig te kunnen zien die me al een tijdje bezighouden. De gelegenheid is een driedaags eerbetoon aan het werk van Griffin, wiens positie ik wetenschapsfilosofisch bestudeerde (zie vnl. de volgende van zijn werken: The Reenchantment of Science, Religion and Scientific Naturalism, Reenchantment without Supernaturalism). Maar behalve Griffin zullen ook andere meesters present zijn. Ik denk dan in de eerste plaats aan John B. Cobb die ik altijd heel inspirerend heb gevonden en waarschijnlijk meer dan Griffin zelf. Zowel op theologisch (ik las Becoming a Thinking Christian en Christ in a Pluralistic Age in 2007), ethisch (Matters of Life and Death) als algemeen filosofisch vlak (A Christian Natural Theology) had hij een belangrijke invloed. Ook zijn integratie van het bevrijdingstheologische perspectief vond ik boeiend (zie Process Theology as Political Theology). Het is pas nadat ik een beetje met Cobb vertrouwd was, dat ik echt aan Griffin ben begonnen. Samen met de andere werken van Cobb las ik natuurlijk hun gezamenlijke en intussen klassieke inleiding op de procestheologie. Griffins korte uiteenzetting van zijn ‘theodicee’ vond ik verhelderend (zie: How Are God and Evil Related?). Cobb en Griffin vormden ook het kernduo in mijn bachelorscriptie over de evolutietheorie (zie een vorige blogbericht en Back to Darwin). Behalve deze ‘goden’ van de procestheologie (zoals Luc Braeckmans hen noemt) kijk ik ook uit naar Dan Dombrowski, de procesdenker die het vegetarisme mee op de kaart zette (ik las The Philosophy of Vegetarianism in 2009 en zijn Hartshorne and the Metaphysics of Animal Rights staan op de plank), maar die ook behulpzaam was in mijn werk over Hartshornes standpunt over abortus (zie een vorige blogbericht). Uiteraard zal in april alle aandacht gaan naar het werk van Griffin zelf en aangezien ik een stevige masterscriptie aan zijn werk heb besteed (zie link), hebben mijn vrouw en Jan Van der Veken me aangemoedigd om even naar Claremont te trekken om heel wat interessante mensen in levende lijve te ontmoeten. Ik kijk er naar uit en breng verslag uit.

vrijdag 1 april 2011

Met het vak filosofie, burgerzin, levensbeschouwing schiet Groen! haar doelen voorbij.

Referentie:

Oostveen, Daan, "Groen! buigt zich over onderwijs", De Wereld Morgen 21.3.2011 (laatste online raadpleging 1.4.2011).

Groen!, "Resolutie 3: Voor pluralisme en democratie", www.groen.be (laatste online raadpleging 1.4.2011).

Informatief extract:

Groen! pleit ervoor om de levensbeschouwelijke vakken facultatief te maken en een verplicht vak 'Filosofie, Levensbeschouwing en burgerzin' aan te bieden.

Creatieve commentaar:

Ik ben een echte sympathisant van het ecologische gedachtegoed, maar met de stemming over het vak ‘filosofie, burgerzin, levensbeschouwing’ op het jongste onderwijscongres van Groen! denk ik dat de partij haar doelen aan het voorbijschieten is.

De eerste reden is dat het volgens mij niet de rol is van een ecologische partij om zo’n sterk standpunt in te nemen over iets dat zowel bij (actieve) vrijzinnigen als (actieve) gelovigen gevoelig ligt. Ik heb er geen problemen mee dat een politieke partij op zoek gaat naar oplossingen voor bepaalde maatschappelijke problemen vanuit algemene maatschappijvisie. Hierin blijft het echter belangrijk een bepaalde diversiteit onder de kiezers te respecteren. Groen! jaagt met dit voorstel heel wat levensbeschouwelijk actieve kiezers, meestal hoog opgeleid en relatief ontvankelijk voor het ecologische gedachtegoed in het harnas (inclusief mezelf). M.i. focust een ecologische partij zich best op haar kern thema’s: ecologische en sociale rechtvaardigheid. Twee punten waarin heel wat kritische kiezers zich kunnen in vinden als het op een overtuigende manier vorm krijgt. Het zijn ook twee punten die vanuit heel wat levensbeschouwingen actief verdedigd kunnen worden. Door rechtstreeks de belangen van leerkrachten levensbeschouwelijke vakken aan te vallen (zeg nu zelf, wie ziet zijn vak graag als een facultatief vak dat leerlingen maar na de uren moeten volgen) en de ‘zuilen’ (beter de levensbeschouwelijke organisaties) die er achter steken snijdt Groen! volgens mij in eigen vlees. Daarom lijkt me dit voorstel ongeacht of het een goed voorstel is, ongewenst.

De volgende redenen zijn inhoudelijk. Het is volgens mij ondanks de goede bedoelingen een slecht voorstel. Zowel vanuit levensbeschouwelijk, als vanuit filosofisch en disciplinair oogpunt. Op zich is het onderwijzen van een levensbeschouwing vanuit een wetenschappelijk (‘neutraal’) standpunt niet slecht, maar het is onvoldoende en in de huidige context ook niet noodzakelijk. Ik denk dat jongeren nood hebben aan het ervaren en overdenken van authentiek beleefde levensbeschouwing. Dit kan alleen overgebracht worden door een leerkracht die zich open, maar geëngageerd vanuit een bepaalde levensbeschouwing opstelt. In een vak waar een levensbeschouwing van binnenuit bekeken wordt en andere levensbeschouwingen vanuit dit gekozen perspectief. De vraag in onze samenleving gaat niet zo zeer naar hoe we de ‘levensbeschouwelijke andere’ (de moslim/vrijzinnige/christen-medeburger) moeten bekijken vanuit een ‘neutraal’ perspectief, maar vanuit ‘ons’ perspectief. Bovendien is er in een geseculariseerde samenleving nood een betere profilering en explicitering wat ‘ons’ perspectief dan wel is: leren zowel zichzelf als de ‘ander’ levensbeschouwelijk te begrijpen en te plaatsen. De informatie vanuit een neutraal vak kan hierin een eerste aanzet zijn, maar is ruim onvoldoende. Levensbeschouwelijke authenticiteit is niet te vervangen door een ‘neutraal’ vak. Door het facultatief maken van een authentiek levensbeschouwelijk vak zal men de (van thuis uit) levensbeschouwelijk sterken sterker maken en de (van thuis uit) levensbeschouwelijk zwakkeren zwakker maken. Het induceert een levensbeschouwelijk Mattheus-effect. Hierin schiet Groen! dus m.i. haar doel voorbij.

Als filosoof in opleiding (ik volg de Master Wijsbegeerte aan de UA) heb ik er problemen mee dat filosofie, burgerzin en levensbeschouwing op een hoop worden gegooid. Filosofie is een (ondergewaardeerde) academische discipline (historisch de moeder van alle wetenschappen), een vak dat het kritische denken onderwijst in de brede zin en op zich niet aanzet tot burgerschap (werd Socrates niet terechtgesteld wegens het bederven van de jeugd?) of tot authentieke levensbeschouwelijkheid los van een kritisch in het leven staan. Filosofie kan een levensbeschouwing (of politiek engagement) een interessante tint of wending geven, maar bepaalt uiteindelijk de basiskleur niet zelf. Het onderwijzen van filosofie kan bijdragen een kritisch burgerschap, maar valt allerminst samen met burgerzin. Integendeel filosofie kan resulteren tot het ondermijnen van die burgerzin beschouwd vanuit een specifieke opvatting van burgerzin. Het onderwijzen van onze filosofische erfenis of leerlingen gevoelig maken voor filosofische vragen is een goede zaak, maar ze in één vaktitel onderbrengen met burgerzin en levensbeschouwing is een slechte zaak voor de filosofie. Zeker als dit een eerste kennismaking inhoudt met de filosofie en het niet gaat over de meer specifieke verhoudingen tussen filosofie, burgerzin en levensbeschouwing (meer iets voor gevorderden). Liever authentieke filosofie en authentieke levensbeschouwing.

Verder kan men zich afvragen, wie dat vak gaat geven. Een filosoof-vergelijkende godsdienstwetenschapper die weet hoe hij burgerzin moet onderwijzen? De combinatie van de eerste twee is al erg lastig (de opleiding die ik nu krijg is er alleszins niet opgericht). Doe er burgerzin bij en je komt tot een onmogelijk combinatie. Dit zal om een specifieke opleiding vragen: een academische opleiding zonder academisch perspectief. Welke academische discipline onderwijst er burgerzin? De combinatie van levensbeschouwing, filosofie met burgerzin is op zich even passend als de combinatie burgerzin met biologie of met geschiedenis. Kennis van natuur en menselijk lichaam kunnen ook een goede basis zijn voor het aanzetten burgerzin: zorg voor de natuur, zorg voor de eigen seksualiteit, etc. Kennis van de historische achtergrond van onze huidige politieke, sociale, economische en culturele context eveneens: politiek bewustzijn, culturele gevoeligheid etc… Is een zo goed mogelijk gebruik van de eigen taal ook geen vorm van burgerzin? Of het leren van andere talen of het onderhouden van het eigen lichaam (L.O.) etc. Burgerzin moet ‘onderwezen’ worden door een school, niet door één vakleraar. Het proppen van burgerzin in een vak gaat aan de interdisciplinaire basis voor burgerzin voorbij: het is veel meer dan het begrijpen en respecteren van levensbeschouwingen. De opdracht van een school om leerlingen aan te zetten tot burgerzin is een opdracht van alle leerkrachten. Het voorstel van Groen! gaat voorbij aan de hedendaagse uitdaging om de vakidiotie te overschrijden door burgerzin te proppen in vak, terwijl het geen vak is.

Ten slotte zijn er volgens mij betere én goedkopere alternatieven: stimuleer leerkrachten om rond belangrijke maatschappelijke onderwerpen en algemene attitudes (niet-noodzakelijk erg levensbeschouwelijke thema’s) samen te werken. Bijvoorbeeld door het creëren van ruimte waarin de leergang van afzonderlijke vakken wordt doorbroken (al is het maar één week per schooljaar). Stimuleer levensbeschouwelijke leerkrachten om samen te werken, zodat er op een authentieke manier ruimte gecreëerd wordt om segregatie tegen te gaan. Bv. in de presentatie van de eigen levensbeschouwing tegenover de anderen, door bepaalde thema’s met een belangrijk levensbeschouwelijk gewicht (dood, geboorte, seksualiteit) vanuit diverse hoeken aan bod laten komen. Niet vanuit een geabstraheerde eenheidsworst gegeven door een leraar met een onmogelijk gevoelig en divers takenpakket, maar vanuit een beleefd perspectief. Dit kost misschien een andere onderwijsmentaliteit, maar volgens mij minder centen.

Mensen komen uit hun levensbeschouwelijke ivoren torens doordat ze zich sterk en geaccepteerd voelen. Niet nadat ze eerst aan de kant worden geschoven door een ‘neutrale’ bemiddelaar, die in feite niet bestaat en dus ook niet zal geaccepteerd worden.

Deze commentaar werd in een lichtjes andere versie ook verstuurd naar verschillende e-mailadressen van Groen!

donderdag 29 juli 2010

Waarom het neodarwinisme vanuit natuurfilosofisch én wetenschappelijk oogpunt onvoldoende is

Referentie:

Bogaerts, Peter, De wetenschappelijke relevantie van de kritiek van John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin op het neodarwinisme, Bachelorscriptie wijsbegeerte Universiteit Antwerpen, juni 2010, promotor: Luc Braeckmans, viii+126 p.

Informatief extract:

John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin zijn voornamelijk bekend als de belangrijkste levende vertegenwoordigers van de procestheologie en de procesfilosofie. Hun wetenschapskritiek kadert in een na te streven harmonie tussen de wetenschappen en het christelijk geloof. Deze wetenschapskritiek heeft quasi geen invloed in de wetenschapsfilosofie of de filosofie van de biologie. Zelf zijn ze er echter wel van overtuigd dat hun positie relevant is voor de manier waarop de wetenschappen en de biologie in het bijzonder, de werkelijkheid begrijpen en bestuderen. Hun kritiek op de biologie uit zich voornamelijk in een kritiek op de dominante stroming in de evolutiebiologie die door filosofen en historici vaak onder de noemer ‘neodarwinisme’ wordt gevat. De focus van deze studie ligt op hun kritiek. De whiteheadiaans geïnspireerde positieve voorstellen van Cobb en Griffin worden niet uitgediept en er wordt ook abstractie gemaakt van het kader waarin hun wetenschapskritiek zich meestal heeft vormgegeven (de verhouding tussen wetenschap en geloof en de theologische consequenties van de evolutietheorie).
In het eerste hoofdstuk wordt bekeken wat men onder de neodarwinistische visie op de evolutie van het leven moet verstaan en hoe Cobb en Griffin deze begrijpen. Hiermee wordt geen definitieve invulling van het begrip neodarwinisme gegeven, maar door een korte historische schets wordt aangetoond waar deze visie vandaan komt en hoe ze door enkele belangrijke vertegenwoordigers wordt vertolkt. In het tweede hoofdstuk wordt er nagegaan hoe het neodarwinisme vanuit diverse wetenschappelijke hoeken onder druk is komen te staan. Hiermee wordt een bondig begrip geven van de wetenschappelijke kritiek die Cobb en Griffin relevant en ondersteunend achten voor hun betoog. In het derde hoofdstuk zal de kritiek van Cobb en Griffin zelf weergegeven worden. In een vierde en laatste stap wordt hun kritiek op het neodarwinisme becommentarieerd vanuit het oogpunt van deze studie: haar relevantie voor de biologie. Daarbij wordt de aandacht gevestigd op het verschil tussen een natuurfilosofische en een wetenschappelijke aanpak van het fenomeen evolutie van het leven.
Sleutelwoorden: Cobb, John B. Jr.; Griffin, David Ray; neodarwinisme; evolutietheorie; filosofie van de biologie; natuurfilosofie.
[Abstract in PDF] [Inhoudstabel] op http://perswww.kuleuven.be/peter_bogaerts

Creatieve commentaar:

Dit werkstuk (mijn eerste van dit formaat, want mijn licentiescriptie BMW was veel korter) schreef ik als kers op de taart (een hele dikke) om mijn bacheloropleiding in de filosofie af te werken. De kern van het werk vertrekt vanuit wat Cobb in Back to Darwin (2008) en Griffin in zijn laatste hoofdstuk in Religion and Scientific Naturalism (2000) trachten te doen. Ik presenteer hun werk met een meer historische en wetenschapsfilosofische aanpak van het neodarwinisme (en laat zoals eerder gezegd theologische en godsdienstfilosofische kwesties buiten beschouwing). Daarmee lever ik meer achtergrondinformatie dan Griffin en Cobb en wordt het neodarwinisme beter in zijn context geplaatst (hoofdstuk 1). Verder bundel ik heel wat kritische stemmen uit de evolutiebiologie (hoofdstuk 2).
De kritiek die ik op Cobb en Griffin formuleer is voornamelijk gericht op het feit dat ze het verschil tussen een zuiver wetenschappelijk en een natuurfilosofisch discours miskennen (hoofdstuk 4). Vooral Griffin veroorzaakt door zijn directe aanpak nogal wat kortsluitingen tussen metafysica en biologie. Deze kritiek dient verder vormt gegeven te worden in een reflectie over hoe de wetenschappen zich ten opzichte van de filosofie moet verhouden en omgekeerd. Ook hoe men moet omgaan met de verschillende epistemische discoursen die de wetenschappen en de natuurfilosofie kenmerken en waarmee sommige wetenschappers zelf niet altijd zorgvuldig mee omspringen, is voer voor verdere reflectie. Deze scriptie is dan ook voor mij een startpunt om op zoek te gaan naar een midden tussen de revisionaire whiteheadiaanse opvatting over de verhouding tussen metafysica en wetenschap (die Griffin en Cobb min of meer vertolken) en een conservatieve whiteheadiaanse opvatting (die men min of meer kan terug vinden bij Ian Barbour en Charles Birch).
In een kort afsluitend hoofdstuk reflecteer ik verder over de verschillen tussen hen die op zoek zijn naar een nieuwe synthese in het evolutionaire denken: de kritische stemmen in hoofdstuk 2 enerzijds en de ideeën van Cobb en Griffin anderzijds. De cruciale vraag die hierbij naar boven komt is, hoe (constructief) postmodern deze nieuwe uitgebreide synthese zal worden. Hierimee ga ik verder met mijn duiding van een belangrijke discrepantie tussen de hervormingsprogramma's van de procesdenkers en deze van de biologische nieuwlichters die reeds in hoofdstuk 4 aan bod kwam.
De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

maandag 13 juli 2009

De matigheid van de positie van Charles Hartshorne in het abortusdebat

Referentie:

Bogaerts, Peter, "De matigheid van de positie van Charles Hartshorne in het abortusdebat", Schriftelijke Oefeningen - Ba2-Scriptie - Universiteit Antwerpen 2008-2009, 25 p.

Informatief extract:

De Amerikaanse filosoof Charles Hartshorne staat vooral bekend voor zijn wijsgerige theologie. Deze korte studie wil laten zien dat zijn werk ook bijzonder interessante ethische reflec-ties in zich draagt. In zijn ethische reflecties is vooral zijn abortusstandpunt opvallend. Na een korte uitzetting van Hartshorne’s ethiek volgt een uitgebreidere presentatie van zijn standpunt ten aanzien van abortus. Hartshorne formuleert een scherpe kritiek op de anti-abortusbeweging door te wijzen op verschillende eenzijdigheden in hun bepaling van de waarde van het ongeboren leven. Met het begrip ‘contributionisme’ wil hij op het onderwerp een theocentrisch licht laten schijnen. Vanuit de gedachte dat de waarde van het leven bepaald wordt in de mate dat het bijdraagt aan het leven van God, verdedigt hij dat niet alleen het menselijke leven intrinsiek waardevol is en dat de potentiële waarde van een foetus erg voorwaardelijk en relatief is ten opzichte van die van de actuele waarde van de moeder of van niet-menselijke dieren. Hartshorne laat de keuze voor abortus afhangen van het morele inschattingsvermogen van de moeder of de direct betrokken mensen. Hoewel hij matigheid als een belangrijke deugd ziet in zowel het dagelijkse leven als een principe voor filosofische reflecties, komt zijn abortusstandpunt op het eerste zicht extreem over. Er wordt dieper ingegaan op de sterkte van en de kritiek op Hartshorne’s standpunt en hoe die positie als een gulden middenweg kan gezien worden.

Sleutelwoorden: Hartshorne, Charles; abortus; contributionisme; matigheid; bio-ethiek; antropomorfisme.

[PDF-bestand op http://perswww.kuleuven.be/peter_bogaerts/]

Creatieve commentaar:

Het is een werkstuk dat ik schreef om mijn schriftelijke vaardigheden in het tweede jaar filosofie (2008-2009) af te werken. Het is een kort maar grondig werkstuk over Hartshorne's uitdagende standpunt in het abortusdebat dat zijn actualiteit niet heeft verloren. Men kan er ook een korte weergave van Hartshorne's theocentrische ethiek in terugvinden. Hierboven staat slechts het abstract. De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

zondag 23 november 2008

Plannen voor offensief tegen Darwin, een spijtige zaak.

Referentie:

van Calmthout, Martijn, "Plannen christenen voor actie tegen Darwin", De Volkskrant, 18.11.2008 (geraadpleegd op 23.11.2008).

Medema, Marnix, "Scheppingsbrochure is anti-reclame", Nederlands Dagblad, 18.11.2008 (geraadpleegd op 23.11.2008)

Met dank aan Taede Smedes voor de referenties (www.TASMEDES.nl)

Informatief extract:

AMSTERDAM - Een deel van kerkelijk Nederland maakt zich op voor een massa huis-aan-huis actie tegen de evolutietheorie van Darwin, begin volgend jaar. Bij de actie zou bij zes miljoen huishoudens in het land een brochure worden bezorgd waarin evolutie net zo goed een geloof wordt genoemd als de Schepping. Lees meer.

Creatieve commentaar:

Het worden weer hevige tijden voor Darwin-aanbidders en Darwin-vervloekers. Vrijzinnigen maken zich in Nederland reeds op om de verjaardag van The Origin te vieren met een congres waarbij een koor van vrijzinnige sprekers eensgezind de loftrompet zal steken voor het belang van Darwin voor hun 'geloof' (http://www.darwinday.nl/). Ondertussen maken zij die Darwins theorie als de anti-christ zien zich op voor een nog hevigere strijd (zie www.creatie.info).

Dit blog richt ik tot mijn evangelische broeders die misschien ook de bedelbrieven om geld voor een anti-Darwin initiatief hebben gehad of zij die later nog de folders zelf in hun bus zullen krijgen met de vraag ze te verspreiden. Maar ook mijn vrijzinnige medemens wil ik vragen Darwin niet voor eigen levensbeschouwelijke kar te spannen: niemand, ongelovig of gelovig, heeft daar baat bij en de biologie zeker niet.

Mensen die denken dat het aanvechten van de evolutietheorie een goede manier is om het ongeloof te bestrijden, promoten een geloof dat gebaseerd is op vermeende wetenschappelijke kennis: de (vermeende) kennis dat de evolutietheorie niet bewezen kan worden of dat ze zelfs vals is. Dit betekent dat als de juistheid van de evolutietheorie hen ooit duidelijk wordt, dat ze zullen moeten besluiten dat hun geloof op zand is gebouwd en voor de vuilbak is.

Gelukkig is niets minder waar, het christelijk geloof is sterker dan de juistheid van de evolutietheorie. Ik zou zelfs zeggen dat mijn geloof sterker is dankzij de evolutietheorie, maar daar ga ik nu niet op in.

Zij die ten strijde trekken tegen de evolutietheorie, trekken ook op tegen de vele christenen die zich verzoend hebben met de evolutietheorie. Ze vallen dus niet alleen het ongeloof aan, maar ook het geloof. Een creationistische strijd is daarom niet erg collegiaal. Moeten we aan ongelovigen per se de Vlaamse creationistische evangelicale versie van het christendom opdringen? Gaat het om mensen de liefde van Christus te laten kennen of om ónze kerken vol te krijgen? Streeft evangelisatie een wereldlijk doel na of een geestelijk? Evangelisatie moet zich richten op wat ons bindt en niet op wat ons verdeelt. Aangezien het creationisme een zwaar breukpunt is binnen het protestantisme en met het katholicisme, lijkt het me niet verstandig om hiermee uit te pakken.

Wordt het geen tijd dat we een pluralisme binnen de kerk leren aanvaarden en waarderen? We kunnen allemaal van elkaar leren. Dat betekent niet dat we ons gedacht niet mogen zeggen en verdedigen, maar dat het niet slecht is om andere mogelijkheden te vermelden. Niets is gevaarlijker en gemakkelijker dan het alleenrecht op de volledige waarheid op te eisen of valse dilemma's te promoten.

Mag er dan niet gereageerd worden op zij die Darwin gebruiken om het ongeloof te promoten? Natuurlijk, maar het lijkt mij beter om hier verschillende stemmen te laten horen en de mensen zelf te laten nadenken wat hun het meest inspireert om bij te dragen tot de liefde van Christus: laat ze niet kiezen voor of tegen Darwin, maar voor God. Wat is het meest essentieel?

Tot slot nog een korte nota: we hoeven natuurlijk niet het ongeloof te 'bestrijden', het is voldoende als we de ongelovige 'verleiden'. Aangezien zo'n propagandamachine snel lijkt op een strijd is daarom al erg ongepast. Het feit dat de folder m.i. heel manipulatief en achterhaald met de evolutietheorie omgaat, laten we nu buiten beschouwing. Gelukkig zijn er alternatieven, spijtig genoeg krijgen ze weinig aandacht.

zondag 26 oktober 2008

Hartshorne's filosofie van gulden middenweg

Referentie:

Hartshorne, Charles, Wisdom as Moderation - A Philosophy of the Middle Way, Albany, NY: SUNY, 151 p.

Informatief extract:

One of the great philosophers sets forth his idea of philosophical wisdom as a mean between extremes in the philosophy ofl ife and religion, with applications to ethics, aesthetics, metaphysics, philosophy of religion, and practical affairs. This work brings to a new focus the unity of Hartshorne's thought as a whole, showing the relationship between good philosophical sense and good common sense.

uit: Flux Bookstore (laatste raadpleging 7.10.2008)


Creatieve commentaar:

Naar eigen zeggen zoekt Hartshorne de gulden middenweg in de filosofie. Een middenweg tussen hoogdravende metafysica en de anti-metafysische wending in de twintigste eeuw, een middenweg tussen materialisme en idealisme, een middenweg tussen cartesiaans dualisme en materialisme, een middenweg tussen 'pro-life' en 'pro-choice', een middenweg tussen een naïef antropocentrisme en 'alle dieren zijn gelijk', een middenweg tussen een almachtige, alwetende, volledig onveranderlijke en onbeweeglijke god en het atheïsme, een middenweg tussen een hemelse carrière en een vergeten zinloos bestaan.

Al deze tegenstellingen komen aan bod, maar Hartshorne vertrekt vanuit een zoektocht naar een middenweg in de esthetica. Zoals bij Whitehead is bij Hartshorne de esthetica de motor van zijn filosofie en dus het vertrektpunt om ook een middenweg in de metafysica te zoeken.

Het boek bevat één hoofdstuk dat iets technischer is, maar voor het overige is het heel leesbaar geschreven. Verwacht geen te ver doorgedreven filosofische redeneringen, maar een goede inleiding in het denken van deze filosoof door de filosoof zelf met een zeer uitgebreide variatie van thema's. Met betrekking tot een aantal thema's wijkt de auteur af van de klassieke christelijke visie, maar recht door zee en scherp als hij is levert hij goed materiaal om die klassieke visies bij te stellen of aan te scherpen. Dit boek daagt zowel de klassieke christen als klassieke atheïst uit tot een weerwoord.