Posts tonen met het label 113 Natuurfilosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 113 Natuurfilosofie. Alle posts tonen

maandag 16 juli 2012

Minding Animals in Utrecht

Referentie:

Minding Animals Conference 2012, Utrecht Universtiy, 4.7-6.7.2012, link, abstracts.

Informatief extract:

Deze conferentie is de tweede in een reeks van conferenties over de wetenschappelijke, ethische en sociale vraagstukken over menselijke interacties met dieren. De bedoeling van de conferentie is academici van verschillende disciplines (dierenwelzijn, dierenethiek, dierenstudies in het algemeen) samen te brengen met politici en een brede groep van geïnteresseerden. De conferentie biedt een platform aan voor de uitwisseling van informatie over ontwikkeling in het onderzoek, debatten over controversiële politieke en ethische vraagstukken over de behandeling van dieren en een verscheidenheid aan culturele activiteiten rond dieren.
[eigen vertaling]

Creatieve commentaar:

 Er viel zo veel te beleven dat het moeilijk na te vertellen is. Ik heb veel nota's genomen, maar die zijn moelijk te delen. Gelukkig staan de abstracts online. Het avondverhaal van Coetzee was sober gebracht, maar erg boeiend: het narratief van de ethische spanningen naar aanleiding van een overdaad aan katten. Ik had daar ook het geluk even met Christine Korsgaard te kunnen spreken. De conferentie bracht zoals aangekondigd een bonte mengeling van presentaties (spijtig genoeg was de kwaliteit ervan ook erg variabel). De kans om belangrijke namen bezig te horen en te zien: Peter Singer, Colin Allen, Marc Bekoff, ... Een aantal heb zelfs moeten missen om me aan mijn kerninteresse ('animal minds') te houden. Politiek-filosofische invalshoeken naast ethische, juridische, wetenschapsfilosofische, experimentele, cinematografische. Met aandacht voor Aristoteles, Hume, Kant, Wittgenstein en Nussbaum. Het publiek was even divers als de onderwerpen: van veganistische activisten tot dierenartsen die met evenveel plezier een dier verzorgen als opeten. Het festival was volledig vegetarisch met een stevige veganistische keuze. Een opmerkelijk samenwerking tussen een departement filosofie en een faculteit dierengeneeskunde. Met 'low-impact&cost' overnachtingen in een tent. Op stap naar het congres door een boomgaard waar kauwen foerageren en een weide waar schapen blaten.

dinsdag 6 maart 2012

De waarde en beperkingen van het wetenschappelijk naturalisme en een revisionair alternatief

Referentie:

Bogaerts, Peter, De kritiek van David Ray Griffin op het wetenschappelijk naturalisme en zijn whiteheadiaans alternatief, Masterscriptie wijsbegeerte Universiteit Antwerpen, januari 2012, promotor: Luc Braeckmans, xiii+202 p. 

Mail peter.bogaerts@uantwerpen.be om een digitale kopie te ontvangen of bezoek http://antwerp.academia.edu/PeterBogAerts/Papers of http://www.ethesis.net/DAVID%20RAY%20GRIFFIN/DAVID%20RAY%20GRIFFIN.htm.  

Abstract:

David Ray Griffin was tot zijn engagement in de ‘9-11 Truth’- beweging voornamelijk bekend als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de procestheologie en het whiteheadiaans procesdenken. Een belangrijk deel van zijn werk kadert in een na te streven harmonie tussen “twee grote, maar verdraaide waarheden”: het natuurwetenschappelijk georiënteerde denken (‘wetenschappelijk naturalisme’) en het christelijk geloof. Daarin toont hij zich erg kritisch, zowel ten opzichte van de hoofdstroom van het wetenschappelijk naturalisme als het traditionele theïstische denken (‘supernaturalisme’). In dit werkstuk zal grotendeels voorbijgegaan worden aan de godsdienstfilosofische en theologische kritieken en oplossingen die hij formuleert ten aanzien van het supernaturalisme. De bedoeling is zijn kritiek op het wetenschappelijk naturalisme van naderbij te bekijken. Deze kritiek richt zich voornamelijk op de ontologische lijn die men in discussies over het naturalisme terugvindt: het wetenschappelijk naturalisme als hedendaags materialisme. Volgens Griffin is dit naturalisme niet alleen vijandig ten opzichte van de religie maar eveneens inadequaat voor het wetenschappelijk denken zelf. Vervolgens verdedigt hij het wetenschappelijk én religieus naturalisme van Alfred North Whitehead als een bestaand en beter alternatief. In een aantal inleidende stappen is het de bedoeling zowel de figuur David Ray Griffin als de plaats die zijn dialoog met het wetenschappelijk naturalisme in zijn oeuvre inneemt, te schetsen. Na een historische en inhoudelijke karakterisering van het wetenschappelijk naturalisme worden zowel Griffins invulling, kritiek en alternatief uit de doeken gedaan. Naast de manifeste ontologische lijn zal ook gezocht worden welke methodologische lijn men in het werk van Griffin kan herkennen met de vraag hoe hij de filosofie positioneert ten opzichte van de wetenschappen en hoe men hem kan plaatsen ten opzichte van actuele vertegenwoordigers van de naturalistische wending in de analytische filosofie. Vanuit die vergelijking wordt er een kritiek op Griffin ontwikkeld die stelt dat Griffins positie niet als naturalistisch kan beschouwd worden en dat Griffin onvoldoende oog heeft voor het verschil tussen speculatief en wetenschappelijk denken. Tot slot zal kritisch gereflecteerd worden over het karakter van het wetenschappelijk naturalisme, de verhouding tussen natuurwetenschappen en filosofie en hoe er een evenwicht kan gevonden worden tussen revisionaire en conservatieve visies op de natuurwetenschappen. Om voldoende plaats te houden voor een eigen filosofisch project wordt het wetenschappelijk naturalisme als een goed startpunt voor interactie met de natuurwetenschappen beschouwd, maar een te beperkte positie om nieuwe brede filosofische visies te ontwikkelen.
Sleutelwoorden: Griffin, David Ray; (wetenschappelijk) naturalisme; natuurwetenschappen; metafysica; (revisionaire) wereldbeelden; materialisme; reconstructief postmodernisme; procesdenken.

Creatieve commentaar:

Dat Griffins positie niet naturalistisch kan genoemd worden, zal weinig mensen die maar het minste vertrouwd zijn met zijn werk niet echt verwonderen, alleen al vanuit de idee dat Griffins vurige godsverdediging en het wetenschappelijk naturalisme niet goed samengaan. Griffin maakt echter heel duidelijk waarom zijn positie wel als naturalistisch kan beschouwd worden. Door een gebrek aan zelfreflectie en historisch besef binnen het wetenschappelijk naturalisme kan Griffin namelijk het wetenschappelijk naturalisme zo definiëren dat hij zijn procestheologisch perspectief ermee verzoend krijgt. Dit gebrek aan omlijning en reflectie in het wetenschappelijk naturalisme heb ik in mijn werk voornamelijk vanuit een historisch perspectief proberen goed te maken. Historisch, omdat ik wilde kijken naar de concrete manifestaties van het wetenschappelijk naturalisme en een alternatief wilde bieden voor de geschiedenis die Griffin zelf van het in zijn ogen ‘verstoorde’ naturalisme heeft geschetst. Dit kan men als een naturalistische benadering van het naturalisme beschouwen. Hieruit wordt duidelijk dat er zowel in Griffins definitie als geschiedenis van het naturalisme verschillende dingen over het hoofd worden gezien die essentieel zijn om het wetenschappelijk naturalisme te begrijpen. Het belangrijkste dat wordt over het hoofd gezien is een onderscheid tussen wetenschappelijk en speculatief denken. Die verwaarlozing is een vrij algemeen fenomeen in discussies vanuit of over de wetenschappen en zorgt voor heel wat verwarring. Dit onderscheid is volgens mij ook niet strikt te maken, maar het is wel belangrijk want het bepaalt de modellen van waaruit men de werkelijkheid benadert. Dit onderscheid manifesteert zich historisch als het tot een breuk komt tussen metafysica en natuurfilosofie aan het einde van de zeventiende eeuw (vnl. door Newton). Die breuk betekende natuurlijk niet dat metafysische vooronderstellingen geen invloed meer hadden op het wetenschappelijk discours, verre van, maar dat het natuurwetenschappelijk discours niet meer (en met vallen en opstaan) werd geplaatst in het teken van een metafysisch systeem of ‘wereldbeeld’. Zoals Stephen Gaukroger aanbrengt, veranderde hiermee de identiteit van de natuuronderzoeker. Op metafysisch vlak werden de natuurwetenschappen opportunistisch, het kwam er op aan om controleerbare en zekere kennis te produceren in plaats van wilde speculaties in het kader van een wereldbeeld te berde te brengen. Het is echter belangrijk te herkennen dat het speculatieve in de natuurwetenschappen nooit volledig verdwijnt en altijd een cruciale rol blijft spelen. Griffins alternatief voor het wetenschappelijk naturalisme heeft echter geen oog voor de aard van de antwoorden waar men in de natuurwetenschappen naar op zoek is. Op wetenschapsfilosofisch vlak kan men hem een ‘interventionist’ noemen. Hij ziet duidelijke tekorten in het wetenschappelijke denken en het naturalistische denken dat de beperkte opzet van het wetenschappelijk denken als limiet voor het filosofisch denken neemt, en lost die op met een (metafysisch) alternatief. Hierbij vergeet hij dat de concreetheid van wetenschappelijke processen niet te vervangen is door die van het metafysische denken, hoe toepasselijk of inzichtelijk die ook mogen zijn. Men mag dus wetenschappelijke kennis en metafysische inzichten niet zomaar op een hoop gooien en in concurrentie met elkaar plaatsen. Een grotere wetenschapsfilosofische voorzichtigheid is geboden. Maar ook vele naturalistische filosofen maken cruciale fouten die eveneens rusten op het miskennen van het verschil tussen het doel van een metafysica en die van het wetenschappelijk bedrijf. Het verwijt van 'misplaatste concreetheid' moet dus in twee richtingen gelden: zowel voor de wetenschapper of naturalist die zijn abstracte modellen gemaakt op maat van een beperkt deel van de werkelijkheid als de werkelijkheid zelf ziet, als de filosoof die de specifieke concreetheid van wetenschappelijke modellen over het hoofd ziet door er kortweg metafysische modellen tegenover in de plaats stellen. Het is dus zowel belangrijk de wetenschappen in een levensvatbaar filosofisch kader te plaatsen dat van meet af aan oog heeft voor de hele werkelijkheid en niet alleen dat deel dat in de wetenschappelijke methodologie past, als de onvervangbaarheid van het wetenschappelijk bezigzijn expliciet te erkennen.

De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

donderdag 29 juli 2010

Waarom het neodarwinisme vanuit natuurfilosofisch én wetenschappelijk oogpunt onvoldoende is

Referentie:

Bogaerts, Peter, De wetenschappelijke relevantie van de kritiek van John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin op het neodarwinisme, Bachelorscriptie wijsbegeerte Universiteit Antwerpen, juni 2010, promotor: Luc Braeckmans, viii+126 p. 

Mail peter.bogaerts@ua.ac.be om een digitale kopie te ontvangen.

Abstract:

John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin zijn voornamelijk bekend als de belangrijkste levende vertegenwoordigers van de procestheologie en de procesfilosofie. Hun wetenschapskritiek kadert in een na te streven harmonie tussen de wetenschappen en het christelijk geloof. Deze wetenschapskritiek heeft quasi geen invloed in de wetenschapsfilosofie of de filosofie van de biologie. Zelf zijn ze er echter wel van overtuigd dat hun positie relevant is voor de manier waarop de wetenschappen en de biologie in het bijzonder, de werkelijkheid begrijpen en bestuderen. Hun kritiek op de biologie uit zich voornamelijk in een kritiek op de dominante stroming in de evolutiebiologie die door filosofen en historici vaak onder de noemer ‘neodarwinisme’ wordt gevat. De focus van deze studie ligt op hun kritiek. De whiteheadiaans geïnspireerde positieve voorstellen van Cobb en Griffin worden niet uitgediept en er wordt ook abstractie gemaakt van het kader waarin hun wetenschapskritiek zich meestal heeft vormgegeven (de verhouding tussen wetenschap en geloof en de theologische consequenties van de evolutietheorie).
In het eerste hoofdstuk wordt bekeken wat men onder de neodarwinistische visie op de evolutie van het leven moet verstaan en hoe Cobb en Griffin deze begrijpen. Hiermee wordt geen definitieve invulling van het begrip neodarwinisme gegeven, maar door een korte historische schets wordt aangetoond waar deze visie vandaan komt en hoe ze door enkele belangrijke vertegenwoordigers wordt vertolkt. In het tweede hoofdstuk wordt er nagegaan hoe het neodarwinisme vanuit diverse wetenschappelijke hoeken onder druk is komen te staan. Hiermee wordt een bondig begrip gegeven van de wetenschappelijke kritiek die Cobb en Griffin relevant en ondersteunend achten voor hun betoog. In het derde hoofdstuk zal de kritiek van Cobb en Griffin zelf weergegeven worden. In een vierde en laatste stap wordt hun kritiek op het neodarwinisme becommentarieerd vanuit het oogpunt van deze studie: haar relevantie voor de biologie. Daarbij wordt de aandacht gevestigd op het verschil tussen een natuurfilosofische en een wetenschappelijke aanpak van het fenomeen evolutie van het leven.
Sleutelwoorden: Cobb, John B. Jr.; Griffin, David Ray; neodarwinisme; evolutietheorie; filosofie van de biologie; natuurfilosofie.

Creatieve commentaar:

Dit werkstuk (mijn eerste van dit formaat, want mijn licentiescriptie BMW was veel korter) schreef ik als kers op de taart (een hele dikke) om mijn bacheloropleiding in de filosofie af te werken. De kern van het werk vertrekt vanuit wat Cobb in Back to Darwin (2008) en Griffin in zijn laatste hoofdstuk in Religion and Scientific Naturalism (2000) trachten te doen. Ik presenteer hun werk met een meer historische en wetenschapsfilosofische aanpak van het neodarwinisme (en laat zoals eerder gezegd theologische en godsdienstfilosofische kwesties buiten beschouwing). Daarmee lever ik meer achtergrondinformatie dan Griffin en Cobb en wordt het neodarwinisme beter in zijn context geplaatst (hoofdstuk 1). Verder bundel ik heel wat kritische stemmen uit de evolutiebiologie (hoofdstuk 2).
De kritiek die ik op Cobb en Griffin formuleer is voornamelijk gericht op het feit dat ze het verschil tussen een zuiver wetenschappelijk en een natuurfilosofisch discours miskennen (hoofdstuk 4). Vooral Griffin veroorzaakt door zijn directe aanpak nogal wat kortsluitingen tussen metafysica en biologie. Deze kritiek dient verder vorm gegeven te worden in een reflectie over hoe de wetenschappen zich ten opzichte van de filosofie moeten verhouden en omgekeerd. Ook hoe men moet omgaan met de verschillende epistemische discoursen die de wetenschappen en de natuurfilosofie kenmerken en waarmee sommige wetenschappers zelf niet altijd zorgvuldig mee omspringen, is voer voor verdere reflectie. Deze scriptie is dan ook voor mij een startpunt om op zoek te gaan naar een midden tussen de revisionaire whiteheadiaanse opvatting over de verhouding tussen metafysica en wetenschap (die Griffin en Cobb min of meer vertolken) en een conservatieve whiteheadiaanse opvatting (die men min of meer kan terug vinden bij Ian Barbour en Charles Birch).
In een kort afsluitend hoofdstuk reflecteer ik verder over de verschillen tussen hen die op zoek zijn naar een nieuwe synthese in het evolutionaire denken: de kritische stemmen in hoofdstuk 2 enerzijds en de ideeën van Cobb en Griffin anderzijds. De cruciale vraag die hierbij naar boven komt is, hoe (constructief) postmodern deze nieuwe uitgebreide synthese zal worden. Hiermee ga ik verder met mijn duiding van een belangrijke discrepantie tussen de hervormingsprogramma's van de procesdenkers en deze van de biologische nieuwlichters die reeds in hoofdstuk 4 aan bod kwam.
De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

vrijdag 14 maart 2008

Met Whitehead en Peirce aan de slag m.b.t. mirakels en de grenzen van de medische kennis

Referentie:

Stempsey, William E., "Miracles and the limits of medical knowledge", Medicine, Health Care and Philosophy 5 (2002), p. 1-9.

Informatief extract:

"In considering whether medical miracles occur, the limits of epistemology bring us to confront our metaphysical world view of medicine and nature in general. This raises epistemological questions of a higher order. David Hume’s understanding of miracles as violations of the laws of nature assumes that nature is completely regular, whereas doctrines such as C. S. Peirce’s “tychism” hold that there is an element of absolute chance in the workings of the universe. Process philosophy gives yet another view of the working of nature. Physicians have no epistemological grounds for declaring any cure to be miraculous. Miracles are theological (or philosophical) entities, and not medical entities. All physicians can do is to determine whether or not a cure is scientifically inexplicable according to the current epistemological standards of medical science. As these standards change, what is currently unexplainable may become explainable. However, we can also come to realize that our current explanations are in fact unsatisfactory. Our justifications of knowledge claims about miracles will depend on our
views about determinism and indeterminism. If the universe is not a deterministic one, we should be open to the possibility of encountering what appear to us as sui generis events. These would not be violations of immutable laws of nature, but manifestations of the true workings of nature, and certainly causes for wonder.

Key words: determinism, epistemology, Hume, laws of nature, metaphysics, miracle, Peirce, Whitehead"

[abstracts and key words from author]

Creatieve commentaar:

Dit artikel vond ik 'toevallig' bij een van de zoekopdrachtjes tijdens de les. Een boeiend filosofisch onderwerp omdat er zeer verschillende disciplines in samenkomen zoals biomedische wetenschappen, psychologie, metafysica en theologie. Interessant kan ook de vergelijking zijn tussen hoe het in het encyclopedie-artikel wordt voorgesteld (een korte algemene weergave) en in dit artikel dat met Whitehead en Peirce aan de slag gaat.

Mind in Nature: het procesdenken bouwt bruggen

Referentie:

Cobb, John B. - Griffin, David R. (eds.), Mind in Nature. Essays on the Interface of Science and Philosophy, Washington, DC: University Press of America, 1977, 148 p. (online beschikbaar via religion online, geraadpleegd op 22.12.2007)

Informatief extract:

"The papers in Part One, "The Evolution of Mind", describes the mystery of the rise of self-conscious, human, purposive action out of a flux in which it has been customary to find no grounds for such an emergence. Thorpe formulates the problem as a challenge to process philosophy and, after papers by Birch, Dobzhansky, and Waddington, and comments by Cobb on the potential contribution of Whitehead, Thorpe shares his concluding reflections. The issues are: What kind of continuity and what kind of discontinuity are to be found in the evolutionary process? And can process philosophy help biologists to understand their data?

Part Two, "Mind and Order", treats the broader question of what is meant by 'order' and how order is related to the human experience of purposive freedom. Several strategies for overcoming reductionism are distinguished and defended. The discussion is chiefly between physicists and philosophers, although the relation to biology is always especially in view.

Part Three, "The Primacy of Mind", opens up the specifically ontological question of how the ultimate entities of the universe are to be conceived. Two biologists and one philosopher argue that the psychical, or mental, or subjective elements in reality are more fundamental than the physical, material, or objective elements.

Part Four, "Mind and Organism", consists of papers that deal specifically with Whitehead. They include expositions of his philosophy of nature and his philosophy of science as well as more topical and critical treatments. The final essay is an account by Waddington of how his own work as a biologist has been influenced by Whitehead's philosophy."

[from preface p.ii-iii]


Creatieve commentaar:

Hoewel deze opstellenbundel enige 'update' zou kunnen gebruiken, lijkt me de lectuur van deze bundel zeer boeiend voor iemand met interesse in Whitehead en de filosofie van de biologie. Volgens mij kan men heel wat leren uit de verschillende benaderingen en discussies die aan bod komen. Interessant zijn ook de commentaren die werden toegevoegd aan elke onderdeel: "Some Whiteheadian comments on the discussion".

Het boek komt uit de collectie van Max Wildiers. Dit is in het boek aangeduid met zijn lijfspreuk "Spiritus Quiescit Numquam". De aanduidingen die Wildiers maakte zijn (spijtig misschien) erg beperkt. Jammer dat het boek een onhandig groot formaat heeft.

Misschien eens nakijken of het congres dat CPS in 2004 hield als een soort vervolg hierop kan gezien worden. Cobb is momenteel bezig aan een nieuwe bundel i.v.m. procesdenken en biologie.

Een hele tijd na het opstellen van dit bericht kwam ik te weten dat dit boek vrij beschikbaar is via Religion Online, op papier is het niet meer te krijgen.

Mirakels: een thema met uiteenlopende raakvlakken

Referentie:

Basinger, David, "Miracles", Routledge Encyclopedia of Philosophy, Edward Craig e.a. (eds.), London: Routledge, version 1.0, 1998.

Informatief extract:

Does God at times miraculously intervene in earthly affairs? That is, do some events occur because God has entered our space-time continuum and directly modified or circumvented the relevant natural laws? Few philosophers today deny that this is possible. But many question whether we could ever justifiably maintain that such intervention has taken place. According to some philosophers, it is not even necessary to grant that the types of events believers label miracles - for instance, healings or resurrections - actually occur as reported. Since the evidence supporting the occurrence of such events is the personal testimony of a few, possibly biased, individuals, while the basis for doubt is the massive amount of objective research upon which the relevant laws are based, it is always justifiable, according to this view, to conclude that such reports are erroneous. Others contend, however, that the presence of some forms of evidence - for instance, independent confirmation from reputable sources - could make it most reasonable in some cases to acknowledge that even the most unexpected of events had actually occurred.
Some philosophers also deny that we could ever justifiably conclude that an event could not have been produced by natural causes alone. Since we will never be in a position to identify all that nature can produce, they declare, it will always be most reasonable for the scientist facing a currently unexplainable counterinstance to a natural law to continue to look for a natural explanation. Many believers, however, are quite willing to grant that nature could in principle produce any event, since what they wish to maintain is only that nature does not do so in the ease of miraculous interventions. Finally, while many philosophers acknowledge that belief in direct divine intervention may at times be justifiable for those who already believe that God exists, some also argue that no single event or series of events could ever compel all thoughtful individuals to acknowledge the existence of a perfectly good supernatural causal agent, given all we experience - for instance, the tremendous amount of horrific evil in our world. Many believers, though, are also willing to grant this point.

1 Definition
2 The possibility of miracles
Some philosophers (for example, McKinnon 1967) have claimed that the concept of a miracle, if defined as a violation of a natural law, is incoherent. Natural laws, they point out, are really only generalized descriptions of what does in fact happen...
...That is, unless it is assumed that supernatural intervention is impossible, we can have both the exception and the rule. Of course, many individuals do in fact deny the existence of any type of supernatural being. And even some who affirm the existence of such a being - for example, process theists (see Process theism) - deny that this being can unilaterally intervene in earthly affairs in the sense necessary to produce miraculous events. However, few philosophers today maintain that the existence of a supernatural being, or the ability of such a being (if it exists) to intervene, can be demonstrated to be impossible...

3 The credibility of personal testimony
4 Miracles as events unexplainable by natural causes.
5 Miracles as acts of God

[titels en extracties uit het betrokken encyclopedieartikel]

Creatieve commentaar:

Het onderwerp raakt zowel de natuurfilosofie, de godsdienstfilosofie als de wijsgerige theologie. Natuurfilosofisch uit zich dat of men kan afwijken van natuurwetten en wat de eigenlijke status is van deze natuurwetten afgezien of dit verband houdt met God. Het tweede, de godsdienstfilosofie, komt hier minder aan bod, maar zou zich kunnen vertalen in hoeverre de godsdienst afhankelijk is van een mirakel en een kritische kijk op de betekenis ervan in de godsdienst en welke eventuele problemen hieruit voortvloeien. Wat dan leidt naar een wijsgerige theologie waarin we die problemen proberen op te lossen. Die plaatst dan mirakels in een wijsgerige theologie van Gods handelen in de wereld. Zoals in het artikel vermeldt, wijst de procestheologie een unilateraal handelen van God in de natuur af ondermeer vanwege het probleem van het kwaad dat er uit voortvloeit.

Het ontstaan van het leven: een visie vanuit het procesdenken

Referentie:

Stein, Ross L., "An Inquiry into the Origins of Life on Earth - A Synthesis of Process Thought in Science and Theology", Zygon: Journal of Religion & Science 41 (2006) 4, p. 995-1016.

Informatief extract:

"An initiating event in the development of life on earth is thought to have been the generation of self-replicating catalytic molecules (SRCMs). Despite decades of work to reveal how SRCMs could have formed, a chemically detailed hypothesis remains elusive. I maintain that this is due, in part, to a failure of metaphysics and question this research program's ontological foundation of materialism. In this essay I suggest another world view that may provide more adequate ontological underpinnings: Whitehead's process philosophy of dynamic, relational becoming. Here we come to see molecules not as unchanging objects but rather as processes that possess the capacity for subjective experience. Molecular transformation is driven by experience, both internal and external. Process thought accounts for the world's creative impulse by positing a God who lures the becoming of all entities toward greater complexity and value. Chemical evolution is now seen as divine motivation of molecular becoming and, as such, possesses the potential for introducing true novelty into the world. The “causal joint” between God and world is hypothesized to be an energy transduction at the molecular level that allows divine action without violation of chemical principles or physical laws."

[abstract from author]

Creatieve commentaar:

In de eerste twee onderdelen van het artikel (inleiding en 'outline') zet de auteur duidelijk de inhoud en structuur van zijn opstel uiteen. Na een wetenschappelijke introductie over het onderwerp gaat hij filosofisch aan de slag met Whitehead en ten slotte gaat het een theologische richting uit. Dit is een noodzakelijke manier van aanpakken, want het is belangrijk dicht bij het meest recente wetenschappelijk onderzoek te blijven en niet in het wilde weg te speculeren. Ik kan het moeilijk laten om het artikel nu al te lezen, maar ga toch eerst aan het blog verder werken. De auteur eindigt met "I believe that process thought offers a way of seeing reality that allows a fuller understanding of our world." Dat kan ik beamen, maar natuurlijk moet zijn voorstel kritisch worden onderzocht.