zondag 26 oktober 2008

Hartshorne's filosofie van gulden middenweg

Referentie:

Hartshorne, Charles, Wisdom as Moderation - A Philosophy of the Middle Way, Albany, NY: SUNY, 151 p.

Informatief extract:

One of the great philosophers sets forth his idea of philosophical wisdom as a mean between extremes in the philosophy ofl ife and religion, with applications to ethics, aesthetics, metaphysics, philosophy of religion, and practical affairs. This work brings to a new focus the unity of Hartshorne's thought as a whole, showing the relationship between good philosophical sense and good common sense.

uit: Flux Bookstore (laatste raadpleging 7.10.2008)


Creatieve commentaar:

Naar eigen zeggen zoekt Hartshorne de gulden middenweg in de filosofie. Een middenweg tussen hoogdravende metafysica en de anti-metafysische wending in de twintigste eeuw, een middenweg tussen materialisme en idealisme, een middenweg tussen cartesiaans dualisme en materialisme, een middenweg tussen 'pro-life' en 'pro-choice', een middenweg tussen een naïef antropocentrisme en 'alle dieren zijn gelijk', een middenweg tussen een almachtige, alwetende, volledig onveranderlijke en onbeweeglijke god en het atheïsme, een middenweg tussen een hemelse carrière en een vergeten zinloos bestaan.

Al deze tegenstellingen komen aan bod, maar Hartshorne vertrekt vanuit een zoektocht naar een middenweg in de esthetica. Zoals bij Whitehead is bij Hartshorne de esthetica de motor van zijn filosofie en dus het vertrektpunt om ook een middenweg in de metafysica te zoeken.

Het boek bevat één hoofdstuk dat iets technischer is, maar voor het overige is het heel leesbaar geschreven. Verwacht geen te ver doorgedreven filosofische redeneringen, maar een goede inleiding in het denken van deze filosoof door de filosoof zelf met een zeer uitgebreide variatie van thema's. Met betrekking tot een aantal thema's wijkt de auteur af van de klassieke christelijke visie, maar recht door zee en scherp als hij is levert hij goed materiaal om die klassieke visies bij te stellen of aan te scherpen. Dit boek daagt zowel de klassieke christen als klassieke atheïst uit tot een weerwoord.

maandag 2 juni 2008

De Koran lezen met Hans Jansen



Referenties:

Rondas, Jean-Pierre, "Hans Jansen Arabist leert ons zelf de Koran te lezen.", Klara, 25.5.2008, 11u.

Jansen, Hans, Zelf Koran lezen, Amsterdam: Arbeiderspers, 2008, 226 p.

Informatief extract:

Hans Jansen Arabist leert ons zelf de Koran te lezen. Hans Jansen gaat door met zijn verlichtingswerk inzake de Islam en het heilige boek van deze openbaringsgodsdienst, de Koran. Sommige critici willen uit de Koran de ergerlijke bladzijden uitscheuren, anderen willen die bladzijden dan weer toeplakken. Toch kennen heel veel mensen op deze aardbol de Koran niet alleen uit het hoofd; ze putten er ook nog eens inspiratie uit, in weerwil van de voor het Westen aanstootgevende passages die tot geweld tegen de ongelovigen oproepen. Daarom is een betere optie dan uitscheuren of toeplakken misschien die Koran te leren lezen. En Hans Jansen helpt ons daarbij een handje.

[Klara website]

Creatieve commentaar:

De Koran leren lezen en begrijpen. Ik heb thuis een vertaling van de Koran liggen waaraan Jansen nog meegewerkt heeft. Die kon je vorig jaar in het kader van de Islam-actie van De Standaard gratis krijgen. Ondertussen heb ik er nog niet veel mee gedaan. Hopelijk kan ik er deze vakantie tijd voor maken.

Als men Jansen moet geloven is het geen gemakkelijk opgave, zelfs niet voor schriftgeleerden. Want het blijkt dat de Koran lezen is niet hetzelfde als de Bijbel lezen. Zowel inhoudelijk als structureel zijn er grote verschillen en de onduidelijkheden in de Koran blijken groter. Gedeeltelijk zijn de problemen met Koranlezen ook gemeenschappelijk met de problemen met Bijbellezen. De problemen met de Koran worden in deze aflevering duidelijk geschetst. Het probleem van de afwezigheid van klinkers in het Arabisch (zoals ook in het Hebreeuws), de gelijke symbolen voor verschillende medeklinkers, passages met een heel ongewoon vocabularium en de dikke laag van traditionele interpretaties die over Koran ligt. Inhoudelijk problematisch is dat de Koran sterke literalistische (letterlijk lezen) aanwijzingen bevat, die de Bijbel niet heeft. Aan het christendom blijkt nog wel verbouwd kunnen te worden, maar verbouwingen aan de islam lijkt voor Hans Jansen een zeer gewaagde onderneming met weinig slaagkansen.

Zelf vrees ik dat Hans Jansen wel eens gelijk zou kunnen hebben. Maar als christen en bijna-Islam-dummy is het natuurlijk niet mijn taak om dit te zeggen en zelfs Islam-specialisten moeten voorzichtig zijn. Zoals het een opgave voor christenen zelf was en is om op een vernieuwde manier met hun geloof om te gaan, zullen ook de moslims zelf over hun erfenis moeten oordelen. Kritische beschouwingen van academici kunnen hierbij wel helpen, maar zullen zeker niet volstaan omdat ze ook een omgekeerd effect kunnen hebben zoals dit bij de opkomst van literalistische stromingen binnen het protestantisme is geweest.

Het spreekt bijna voor zich dat het 'uitscheuren' of 'dichtplakken' van koran- of bijbelpagina's een vrij kinderachtige manier is van omgaan met een religieuze erfenis. Zoals het naïef rondstrooien van bijbels of evangeliën door evangelische christenen ook niet echt de beste methode is om de blijde boodschap te verspreiden. Het lezen van de Bijbel, en waarschijnlijk ook van de Koran, moet immers kunnen terug vallen op een bepaalde leescultuur. De verandering van leescultuur is een zeer belangrijke uitdaging voor een mogelijke vernieuwing in religies waar de Schrift een belangrijke positie inneemt.

De stap van een traditionele leescultuur naar een 'post-kritische' leescultuur is weliswaar een moeilijke stap om te zetten, maar m.i. zeker de moeite waard. Sterke voorbeelden kunnen zeker helpen.

dinsdag 1 april 2008

Rondas in gesprek met McGrath

Referentie:

Rondas, Jean-Pierre, "God is Groot! Neen, niet! Toch wel! Met Alister McGrath.", Klara 30.3.2008, 11u.

Informatief extract:

God is Groot! Neen, niet! Toch wel! Met Alister McGrath. Het aantal atheïstische pamfletten (Dawkins, Dennett, Hitchens, Harris) dat de markt overspoelt is niet meer te tellen. Dat komt niet omdat het atheïsme zelf in opmars zou zijn, maar de laatste tijd schreeuwt het wel heel hard. Daarom keert de beroemde Engelse filosoof McGrath (zelf ooit atheïst geweest) het om: in plaats van de zoveelste weerlegging te schrijven, schrijft hij de geschiedenis en de ondergang van het atheïsme zelf als een "Decline and Fall of the Roman Empire". Vooral het ondertussen vervelende voortdurende opponeren van wetenschap en geloof moet het ontgelden, evenals de onverdraaglijk fanatieke kantjes van het atheïstische geloof.

[http://www.klara.be/html/08033039900.html]

Creatieve commentaar:

Enige verdieping op de spreekbeurt van McGrath in Antwerpen, kan men vinden in het gesprek dat Jean-Pierre Rondas met McGrath had en dat werd uitgezonden op Klara. Gelukkig kan men het herbeluisteren via de Klara website.

In het begin lijkt het dat er grosso modo hetzelfde gezegd wordt als op de lezing, maar het gesprek gaat zeker dieper dan de lezing, zeker m.b.t. het atheïsme. Bovendien voel ik hier een meer spontane en ook scherpere McGrath. Hij neemt hier een duidelijkere afstand van het 'fundamentalistische' protestantisme en het creationisme. En er is een levendige interactie tussen Rondas en McGrath.

De volgende commentaar is een beetje spijkers op laag water zoeken, maar ik zou toch enige opmerkingen willen plaatsen op wat McGrath zei.

Ik zou hier willen opmerken dat McGrath de reële situate i.v.m. het letterlijk bijbellezen en het creationisme zowel historisch als actueel niet helemaal correct weergeeft. Zowel in Groot-Britanië, Nederland als Duitsland zijn er sterke kernen van creationisme, die putten vanuit een zekere latente geloofstraditie: zowel vanuit traditioneel protestantse als vanuit evangelicale en pinksterbewegingen. Vanwege hun Amerikaanse invloed zijn er bij deze laatste evenwel frequenter radicalere vormen van creationisme op te merken. De scherpe vormen van creationisme uit Amerika lijken mij ook de latente weerstand tegen de evolutietheorie in orthodoxe protestantse en islamitische kringen te hebben gevoed.

Ook in katholieke landen zoals Polen en Italië komen vandaag anti-evolutionaire tendensen naar boven. Deze katholieke anti-evolutionaire reacties vroeger en vandaag zijn dan misschien niet literalistisch van karakter, maar zeker wel theologisch gemotiveerd. En hoewel er van in het begin van de opkomst van het evolutionisme openheid was bij katholieke wetenschappers, is er lang een duidelijke weerstand tegen de evolutietheorie geweest vanuit het Vaticaan, vnl. m.b.t. de mens. Een meer genuanceerde omgang met de bijbel en een zekere vrijheid voor wetenschappelijk onderzoek in de katholieke Kerk hebben een voedingsbodem voor een sterke creationistische beweging als "Scientific Creationism" belet. Maar pas met de encycliek Humani generis in 1950 ontstond er een officiële opening om openlijk over evolutie te praten.

Ik heb het gevoel dat McGrath door zijn refereren naar Augustinus de spanningen te rooskleurig voorstelt en ze beperkt tot het fundamentalistische protestantisme. Augustinus heeft zeker de positie van de katholieke kerk en de meeste protestantse stromingen in de relatie tussen geloof en wetenschap in de goeie richting gestuurd, maar daarmee is niet alles gezegd.

McGrath haalt Augustinus aan om zijn positie te verdedigen, maar vorig jaar hoorde ik nog een 'gereformeerd wijsgeer' (Marc de Vries, op 18.10.2007 in Deurne) in een lezing over geloof en wetenschap met Augustinus pronken om dan uiteindelijk een halfslachtige creationistische positie te verdedigen. Augustinus is voor veel conservatieve protestanten misschien voldoende om een pseudo- en anti-wetenschappelijk offensief als het "Scientific Creationism" te temperen, maar niet voldoende om de evolutietheorie aanvaardbaar te maken.

Voor een uitgebreider historisch verhaal zie vb.:
* De Bont, Raf, Darwins kleinkinderen, De evolutietheorie in België 1865-1945, Nijmegen: Vantilt, 2008, 523 p. (vnl. hoofdstukken 1, 5 en 9).
* Forster, Roger - Marston, Paul, "Conflict throughout history between Christianity and Science?", in: Reason and Faith, Eastborne: Monarch, 1989, p. 277-342.
* Smedes, Taede A., "Wat is creationisme?" uit "Is 'Intelligent Design' creationisme?" in: Niet los van God? - Geloof en wetenschap, Didier Pollefeyt en Ellen De Boeck (red.), Leuven: Acco, 2007, p.199-205.

* M.b.t. creationisme in Nederland zie vb. de programma's en publicaties van de EO in de jaren zeventig, de beruchte publicatie van Peter Scheele.
* M.b.t. creationisme in Duitsland zie vb. "Anti-evolutionists raise their profile in Europe", Nature 444 (2006), p.406-407.

maandag 24 maart 2008

McGrath strateeg of verstopper

Referenties:

1. McGrath, Alister, "The Limits to an Darwinian Worldview: A philosophical and religious perspective", Lezingenreeks: Zijn er grenzen aan een darwinistische levensbeschouwing, Antwerpen: UCSIA, 19-20.3.2008.

2. Thomas, Job, "McGrath in A'pen", 20.3.2008, http://jobthomas.wordpress.com/2008/03/20/mcgrath-in-apen/ (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

3. "Richard Dawkins and Alister McGrath", Video-Google.com, http://video.google.com/videoplay?docid=6474278760369344626 (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

4. McGrath, Alister, Geloof en natuurwetenschap: een introductie, Kampen: Kok, 2001, 259 p.

5. De Cavel, Filip, "Alister McGrath in Antwerpen", 19.3.2008, http://filipdecavel.wordpress.com/2008/03/19/alister-mcgrath-in-antwerpen/ (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

Creatieve commentaar:

Ik vind dat McGrath de interessantste thema's uit de weg is gegaan (1). Ik dacht vanuit de aankondiging dat hij het ging hebben over de evolutionaire verklaringen van de religie. Een domein waar ik niet zo in thuis ben en waar ik graag wel wat meer had over willen weten. Nu als de 'memetica' het enige is dat er op de markt is, dan is er nog veel werk te doen. Andere interessante thema's worden gauw nogal technisch voor een breed publiek: een iets diepere behandeling van het teleologieprobleem in de biologie, het reductionismedebat, het naturalisme-supernaturalisme debat, de reikwijdte van biologische verklaringen, de concrete impact van de evolutietheorie op de theologie etc. Het laatste thema behandelde hij eigenlijk niet en de andere thema's werden ofwel slechts vermeld ofwel oppervlakkig besproken. Nu dat is geen verwijt, want dat lag waarschijnlijk niet in zijn opdracht.

Ik moet hier wel opmerken dat men moet oppassen in hoeverre men darwinistische levensbeschouwingen, wereldbeelden en dito verklaringen vereenzelvigt met evolutionaire levensbeschouwingen, wereldbeelden en dito verklaringen. In de lezingenreeks kwam dit niet duidelijk genoeg aan bod. Darwinistisch zou slechts moeten gebruikt worden als men heel nadrukkelijk beroep doet op het natuurlijke selectie principe terwijl evolutionair een veel breder begrip is. De visies van Dennett en Dawkins kan men darwinistisch noemen. Maar de evolutietheorie is veel breder en rijker dan natuurlijke selectie, al kan men er nooit naast. Ik zou het spreken over darwinistische levensbeschouwingen en wereldbeelden liefst tot een minimum beperkt willen zien.

Alleen al omdat ik de tekst van de lezing vooraf had gekregen, bracht de lezing zelf me inhoudelijk weinig nieuws bij. Maar het was me wel een evenement om in het hol van de leeuw zoveel creationisten en aanverwanten bij elkaar te zien. Het hol van de leeuw, want zowel in het kader van de lezingen als in het kader van een universiteit wordt geen goed woord over het creationisme gesproken.

Door de tekst, de lezing en het seminarie heb ik Dawkins weer een klein beetje beter leren kennen en McGrath maakte in zijn tekst hier en daar gebruik van een aantal voor mijn nog onbekende referenties die voor mijn studie in de filosofie van de biologie nog wel kunnen van pas komen. Het tweede deel van de lezing bevestigde wat ik al dacht sinds ik met het begrip 'meme' kon kennis maken: dat het niet de moeite is om dieper op in te gaan. Nu was zijn uitleg wel interessant voor het geval ik zelf ooit wordt gevraagd om er iets over te zeggen. Maar ik ga me niet met veel plezier bezighouden met iets waarvan ik denk dat er alleen de wetenschappelijke waardeloosheid van kan aangetoond worden. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom ik in de vijf jaar dat ik me met 'geloof en wetenschap' actief bezig houdt, nog niets van Dawkins zelf heb gelezen. Iedere keer dat ik hem in de literatuur tegenkom, lijkt hij vanuit biologisch standpunt zijn nutteloosheid te bewijzen. Zijn verdediging en popularisering van de evolutietheorie is weliswaar briljant, maar tegelijk verkleutert hij de biologie en heeft hij maatschappelijk een enorm vertekent beeld van de biologie teweeg gebracht. De rijkdom, verscheidenheid, nuances, moeilijkheden en evoluties van het biologisch onderzoek over evolutie komen niet voldoende aanbod.

Vanuit filosofisch standpunt is het een draak, waarvan men moeilijk kan zeggen dat het om degelijke filosofische arbeid gaat. Daardoor is hij ook een gemakkelijke schietschijf. Wat mij betreft is Dawkins vooral interessant voor de Science Studies : de sociologie van de wetenschappen. De enige reden om hem te lezen is omdat hij veel gelezen wordt en daardoor maatschappelijk relevant is, maar de bedenking dat er betere dingen zijn om te lezen maakt dat ik er maar niet kan aan beginnen. McGrath's onderneming is daarom heel lovenswaardig, het spaart mij veel tijd.

Het debat echter tussen McGrath en Dawkins dat ik via een medestudent een paar maanden geleden op internet kon vinden en waarnaar Job (2, 3) ook verwijst, is wel boeiend. En dat komt omdat Dawkins hier genuanceerder is. Maar door gebrek aan kennis van theologie en filosofie/metafysica aan de kant van Dawkins zitten daar ook weer de beperkingen van zo'n dialoog. Spijtig genoeg was het debat waarschijnlijk al te genuanceerd en beschaafd om effectief uitgezonden te worden op televisie. Leve het internet.

Dennett plaatst vanuit filosofisch standpunt een interessantere verdediging van het ultradarwinisme en juist die behandelt McGrath minder. De kraan-hemelhaken metafoor had best wat meer aandacht verdient, want het is hierop dat Intelligent Design en het religieuze denken over de interactie tussen God en wereld zich vastrijdt.

Ik heb McGrath intussen meer dan vier jaar geleden leren kennen door het zeer degelijke boek dat Job voor zijn thesis gebruikte (4). Vanuit academisch opzicht is dat een heel verdienstelijk werk: de geschiedenis van dialoog tussen geloof en wetenschap wordt op een voortreffelijke manier weergegeven en heeft me veel bijgebracht. En toch miste ik iets in dat boek, wat ik woensdag en donderdag ook miste: passie voor wetenschap en duidelijke verdediging van de waarde van een evolutionair wereldbeeld voor het christelijk geloof. Het lijkt mij dat voor McGrath de dialoog tussen geloof en wetenschap slechts een intellectueel project en opdracht voor de theoloog is. Dat inzicht op zich is al lovenswaardig. Maar ik wil passie voor wetenschap voelen, passie die men wel bij de door McGrath aangehaalde Pierre Teilhard de Chardin vindt. Een passie die ik ook bij een schrijver als Sjoerd Bonting vind en op een zachtere manier bij Jan Van der Veken. In het spoor van Teilhard de Chardin, maar niet op dezelfde manier wil ik het evolutionaire denken omarmen en als een meerwaarde voor het christelijk geloof denken.

Als ik McGrath's Geloof en Natuurwetenschap las, was het voor mij niet direct duidelijk in hoeverre hij zelf van de evolutietheorie overtuigd was en ook in deze lezing was dat niet duidelijk genoeg. Daardoor kan zijn lezing in sommige ogen een te reactionair accent hebben gekregen. In het seminarie van donderdag verdedigde hij het evolutionaire denken iets meer. Hoewel hij de wetenschappelijke materie goed kent en ze naar zijn hand zet, voel ik te weinig betrokkenheid met het wetenschappelijke project. Een gemis aan betrokkenheid met de wetenschappen geeft terechte kritiek op de wetenschappen of beter mensen die denken in naam van de wetenschap te schrijven gemakkelijk een louter defensieve indruk, waardoor ook elk creatief aanwenden van wetenschappelijke data ter verdediging van een christelijk geloof eerder op opportunisme lijkt.

Tussen de 'doorsnee' en minder doorsnee creationisten, waren er ook mensen van de ETF (Evangelisch Theologische Faculteit, Leuven), mensen die hem ook in hun midden hadden uitgenodigd (2). Een goede zaak, maar hoe serieus nemen ze bij de ETF de dialoog tussen wetenschap en geloof? Iets wat ik als een van de pijnpunten vind in evangelisch Vlaanderen: want iedere scholier wordt er mee geconfronteerd. Ik heb signalen gezien dat een aantal ETF'ers zich soepeler opstellen tegenover de wetenschappen: dikwijls slechts de geologische tijdrekening, maar elke stap vooruit is een goede. Maar in hoeverre gaan ze mee met een theologisch project als dat van Alister McGrath, dat zeer voorzichtig progressief kan genoemd worden? Of is de zesdaagse schepping van de wereld in 4004 v. Chr. nog steeds een mijlpaal in de cursus Oude Testament? Graag feed-back van ETF-insiders.

Durft Alister McGrath op de ETF toegeven zoals in de dialoog met Dawkins dat Adam en Eva best begrepen worden als mythische figuren? Ontwijkt hij de moeilijke punten om strategische redenen of speelt hij verstoppertje? Als het een strategie is, dan doet hij het zeker meesterlijk. Maar toch heb ik er mijn bedenkingen bij.

Filip (5) zei dat er waarschijnlijk geen hardcore evolutionisten waren op die avond. Ik wil mezelf best wel als hardcore evolutionist beschouwen, maar ook diegenen die Filip waarschijnlijk bedoelt heb ik gezien. Wat ze van McGrath denken weet ik natuurlijk niet, maar ik heb Kris Verbrugh, een ontzettend getalenteerde student geneeskunde met twee populair wetenschappelijke boeken op zijn kerfstok, wel een praatje zien slaan met McGrath. Hopelijk kan hij de nuances die McGrath meegeeft verwerken in een volgend boek. Moest dat het geval zijn, dan heeft McGrath zijn effect niet gemist.

Nu wees McGrath tijdens de vragen op iets wat men in een christelijk denken over de natuur nooit uit het oog mag verliezen: een 'binocular view': zowel naar het mooie als het lelijke in de natuur kijken. Te veel heeft de theologie de ambiguïteit van het bestaan slechts als een antropologisch probleem gezien (zonde). Maar een klare hedendaagse kijk op de natuur leert dat dit niet voldoende is. Aan deze ambiguïteit moet men als christen niet alleen een scheppingstheologie koppelen, maar ook een theodicée en een eschatologie. Het gebrek aan aandacht voor de ambiguïteit in héél de natuur in de (natuur-)theologie van de 19de eeuw heeft Darwin zijn geloof gekost. Daar wees McGrath onrechtstreeks heel terecht op. Voor velen met Darwin en ook vandaag nog is dit een dooddoener. De potentiële en actuele christelijke waarde van Intelligent Design als ook het creationisme worden onder meer door deze ambiguïteit erg problematisch.

Vanuit een evolutionair wereldbeeld kan men m.i. aan dit probleem veel beter werken (bv. d.m.v. het procesdenken) en dat maakt voor mij de dialoog tussen wetenschap en geloof meer dan de moeite waard om mee bezig te zijn.

vrijdag 14 maart 2008

Ricoeur en Whitehead een complementair duo?

Referentie:

Barciauskas, Rosemary Curran, "The Primordial and Ethical Interpretations of Evil in Paul Ricoeur and Alfred North Whitehead", Modern Theology 2 (1985) 1, p. 64-77.

Informatief extract:

This article compares the work on evil and human freedom presented by Paul Ricoeur in The Symbolism of Evil (1967) and other works, to the notion of evil and freedom in the metaphysics of A N Whitehead. Ricoeur's examination of the myths of three early civilizations shows that the ethical view of evil in which the human bears full responsibility for evil has never sufficiently described the contents of religious consciousness. Evil is not so much the result of the first free act as it is part of the "history of being". The author contends that Whiteheadian metaphysics concurs in many ways with Ricoeur's understanding of evil. In Whitehead's view evil is in no way the work of God, nor is it solely the work of the human. It arises out of the conditions of becoming, but is met with the harmonizing activity of God. From these two views the author draws several conclusions about the limits of human freedom and the nature of sin and guilt.

[Abstract from ATLA Religion]

Creatieve commentaar:

Het is interessant om Whitehead en Ricoeur naast elkaar behandeld te zien. Op die manier wordt voor mij de waarde Ricoeur ook duidelijker. De auteur plaatst namelijk de verschillende theologische concepten naast elkaar. Hiervan kan ik gebruik maken om die verschillende concepten uit te leggen aan de hand van de verhalen die iedereen bekend voorkomt. De abstracte gespitste aanpak van het procesdenken aangevuld met het verhalende en meer tot de verbeelding sprekende aanpak van Ricoeur.

Van de auteur Rosemary Curran Barciauskas, ten tijde van het artikel als theoloog verbonden aan het Wheeling College in West Virginia, heb ik nog volgende referenties gevonden: “Redemption Through Suffering: The Task of Human Freedom in the Writings of A. N. Whitehead and Paul Ricoeur and the Implications for a Christian Soteriology.”, Ph.D. Dissertation, Fordham University, 1983; met Debra Beery Hull, Loving and Working: Reweaving Women's Public and Private Lives. Meyer-Stone Books, 1989; “Review: The Triune Symbol: Persons, Process and Community, by Joseph Bracken.” In Process Studies 17, no.4 (Winter, 1988): 273-8. Spijtig dat er over haar niet meer te vinden is.

Waarom het geloof het procesdenken nodig heeft

Referenties:

Cobb, John B., Jr., "Why faith needs process philosophy", the Mudd Theatre, Claremont School of Theology, Claremont, CA, USA, 11.09.2007, http://www.ctr4process.org/media/ (geraadpleegd op 23.10.2007), tekst beschikbaar op http://www.ctr4process.org/publications/SeminarPapers/30_2-CobbJ.pdf (geraadpleegd op 18.12.2007).
Livingston Richard T., "John B. Cobb, Why Faith Needs Process Philosophy", Process Perspectives 30 (2007) 2, p. 8.

Informatief extract:

Eerst gaat de spreker in op de politieke context van een dag zoals 9/11. Hij raakt aan wat er misloopt in het huidige Amerikaanse beleid en verdedigt de stelling dat de huidige internationale politiek van de VS is gebaseerd op leugens.Hij vervolgt met te stellen dat er grosso modo drie wegen zijn om religie (christendom) te onderbouwen. Zonder filosofisch systeem: volgens Karl Barth, met filosofisch systeem: volgens dat van Thomas van Aquino of volgens een procesfilosofie. Over Barth maakt hij de opmerking dat realistisch zijn over God, hoewel noodzakelijk niet voldoende is voor een goede theologie. Over het realisme zegt hij nog dat kerken die niet realistisch met God omgaan lamme kerken zijn. Het systeem van Aquino geniet nog altijd brede steun in Katholieke kringen. Van Aquino haalt hij het onderscheid tussen 'zijn'/'being' en 'het zijn'/'Being itself' aan en de relatie naar God als 'supreme being'. (Zie hierover vb. meer in Cloots in 'Kijken naar de zon'). Hij toont dat bij Heidegger God samenvalt met 'het zijn' en God op die manier geen handelend persoon ('agent') is. Dit is voor een goed godsbegrip echt noodzakelijk volgens Cobb.
Cobb vervolgt met kritiek op de manier waarop universiteiten vandaag werken. Volgens Cobb zijn universiteiten gebaseerd op de metafysica van de 17de E, d.w.z. mechanicistisch en zonder plaats voor het subjectieve. Dit creëert een gesloten wereldbeeld voor het wetenschappelijke denken. In een pre-Darwinistische context loste men dit op door zowel God als de mens buiten de natuur te stellen. Dit is na de introductie van de evolutietheorie echter niet meer mogelijk en zodoende wordt de mens op een volledig mechanicistische wijze bestudeerd. Cobb duidt dat gebrek aan aandacht voor het subjectieve problematisch is onder meer in de huidige psychologie en dat bekende Nobelprijswinnaars zonder veel resultaat hun beklag daar hebben overgedaan. Universiteiten zijn sinds hun ontstaan conservatieve instellingen volgens Cobb, die hun vooronderstellingen maar moeilijk willen opgeven. Hierbij maakt hij gebruik van de wetenschapsgeschiedenis ter illustratie. Zelfs op godsdienstwetenschappelijke en filosofische departementen lijkt men zich meestal te schikken naar het gesloten wereldbeeld waar geen plaats is voor God. Denkers die over de grenzen dachten zoals Whitehead passen niet in de huidige universitaire stuctuur zoals ook bepaalde uitzonderingen in de huidige academische wereld. Het vervolg van de lezing gaat over de impact van het procesdenken in China en het onderwijssysteem. Ondermeer de boeken van David Griffin hebben hieraan bijgedragen.
De meest radicale procesdenkers lieten het meest plaats voor denken over God. De huidige evidentie wijst volgens Cobb sterk in de richting van een open wereldbeeld met God. Cobb pleit voor een radicale breuk en volgens hem is die nodig voor "the healing of all creatures". Cobb legt ook het verband tussen bannen van God uit het denken en waar het 'scheef' ging in de geschiedenis (18de en 19de). Ook de recente achteruitgang van het Humanisme koppelt Cobb hieraan. Cobb eindigt met de woorden dat we de wijsheid van het verleden niet moeten opgeven, maar dat we die moeten herdenken met onder meer de beste wetenschappelijke evidenties. (samenvatting PB)

Creatieve commentaar:

Ik kan het me goed vinden in de woorden van Cobb. Veel ideeën en vooral de metafysische kritiek op de wetenschappen zou ik verder uitgewerkt willen zien. Hoe vertaalt zich dat naar de verschillende wetenschappen? Op welke manier kan dit de wetenschappen veranderen, herorienteren misschien? Is het mogelijk op dit over de levensbeschouwelijke grenzen heen te verwezenlijken? Is dit opentrekken noodzakelijk voor alle disciplines? Ontsnapt vb. de moleculaire biologie hieraan en is het alleen voor de wetenschappen die in aanraking komen met het menszijn? Wat zijn de meer specifieke opportuniteit hierin voor de wetenschappen. Kortom hoe kan ons dit drijven?

Slotbeschouwing 'gerichte zoekstrategie'

Creatieve commentaar:

Bij deze zoektocht kunnen we een aantal dingen besluiten zonder dat we artikels gelezen. Ik heb ook echt geen enkel artikel gelezen, maar moest ik de tijd hebben dan zou ik het wel doen.

Het onderwerp vertrekt in de literatuur vanuit de relatie tussen klassieke genetica en moleculaire genetica [Hull 1972, Kitcher 1984, Schaffner 1993a]. Ondertussen is de moleculaire biologie in (bijna?) alle subdisciplines van de biologie doorgedrongen en vindt men het thema ook terug in betrekking met deze subdisciplines: neurobiologie [Schaffner 1993a, Bickle 2006], genoombiologie [Vicedo 1992], ontwikkelingsbiologie [Laubichler - Wagner 2001], gedragsbiologie [kort vermeld in Kitcher 1999], evolutiebiologie [Rosenberg 2006]. Al deze subdisciplines zijn gemakkelijk inhoudelijk aan elkaar te koppelen, maar bevatten telkens zeer verschillende manieren van aanpakken.

Ik heb de indruk dat het anti-reductionisme in de wetenschappen alleen maar sterker geworden is. Men lijkt steeds meer holistisch te werk te gaan. Getuige daarvan zijn o.a. '-omics' onderzoeksdomeinen (genomics - genoombiologie, proteomics - proteoomanalyse, glycomics, zie wikipedia) en wat men 'Systems Biology' noemt. Men zou bijvoorbeeld kunnen onderzoeken hoe reductionistische/holistisch deze grootschalige aanpak is. Hierin denk ik dat er weinig verschil is tussen de verschillende '-omics'-disciplines.

Ik moet zeggen dat ik vooraf niet verwacht had dat er over dit thema reeds zoveel gepubliceerd werd. Ik heb nu ook niet het gevoel dat ik een volledig zicht op de literatuur i.v.m. dit thema heb gekregen. Daarvoor zou ik mij bijvoorbeeld hebben moeten richten tot één van subdisciplines die hier werden aangehaald. Een breed overzicht heb ik wel gekregen. Op basis van deze verkenning zou ik een studie in het onderwerp inhoudelijk als volgt aanpakken:
1. Reductionisme in algemeen (en klassiek) wetenschapsfilosofisch perspectief. Dit heb ik in het blog volledig buiten beschouwing gelaten. Feyerabend en Nagel waren hier veel terug komende referenties (zie supra). Dit zou de noodzakelijke basis voor verder onderzoek moeten leveren. Ook metafysische relaties leggen, lijkt mij een must.

2. De klassieke literatuur i.v.m. reductionisme in de biologie (oudere publicaties van Schaffner, Hull en Kitcher): theorievorming, interlevel verklaringen etc.

3. Toespitsing op een bepaalde tak van de biologie. Als men kiest voor de neurobiologie zal men moeten overwegen of men de psychologie erbij neemt of men zich beperkt tot de biologie. De psychologie erbij nemen, maakt de zaak natuurlijk veel moeilijker hanteerbaar.

Onbesproken doch interessante referenties:

Algemeen wetenschapsfilosofisch (beide aanwezig in UA stadbibliotheek):

Feyerabend, Paul, "Explanation, Reductionism, and Empiricism", in: Feigl, H. - Maxwell, G. (eds.), Scientific Explanation, Space, and Time, Vol 3., Minnesota Studies in the Philosophy of Science, Minneapolis: University of Minnesota Press, 1962.

Nagel, Ernest,"The reduction of Theories", in: The Structure of Science, New York: Harcourt, Brace and World, 1961, 618 p. Een vereenvoudigde presentatie kan men volgens Kitcher 1984 vinden in hoofdstuk 8 van Hempel, Carl G., Philosophy of Natural Science, Englewood Cliffs, N.J.: Prentice Hall, 1966. Een heel interessante tip want deze zijn gemakkelijk in het Nederlands te vinden.

Recente artikels i.v.m. reductionisme en de biologie:

Kaufmann, Stuart - Clayton, Philip, "On emergence, agency, and organization", Biology and Philosophy 21 (2006), p. 501-512.

Morange, Michel, "Post-genomics, between reduction and emergence", Synthese (2006) 151, p.355-360.

Soto, Ana M. - Sonnenschein, Carlos,"Emergentism by default: A view from the bench", Synthese (2006) 151, p.361-376.

Met koppelingen naar de theologie:

Budenholzer, Frank E., "Some Comments on the problem of reducitonism in contemporary physical science", Zygon: Journal of Religion & Science 38 (2003) 1, p. 61-69.