donderdag 29 juli 2010

Waarom het neodarwinisme vanuit natuurfilosofisch én wetenschappelijk oogpunt onvoldoende is

Referentie:

Bogaerts, Peter, De wetenschappelijke relevantie van de kritiek van John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin op het neodarwinisme, Bachelorscriptie wijsbegeerte Universiteit Antwerpen, juni 2010, promotor: Luc Braeckmans, viii+126 p. 

Mail peter.bogaerts@ua.ac.be om een digitale kopie te ontvangen.

Abstract:

John B. Cobb, Jr. en David Ray Griffin zijn voornamelijk bekend als de belangrijkste levende vertegenwoordigers van de procestheologie en de procesfilosofie. Hun wetenschapskritiek kadert in een na te streven harmonie tussen de wetenschappen en het christelijk geloof. Deze wetenschapskritiek heeft quasi geen invloed in de wetenschapsfilosofie of de filosofie van de biologie. Zelf zijn ze er echter wel van overtuigd dat hun positie relevant is voor de manier waarop de wetenschappen en de biologie in het bijzonder, de werkelijkheid begrijpen en bestuderen. Hun kritiek op de biologie uit zich voornamelijk in een kritiek op de dominante stroming in de evolutiebiologie die door filosofen en historici vaak onder de noemer ‘neodarwinisme’ wordt gevat. De focus van deze studie ligt op hun kritiek. De whiteheadiaans geïnspireerde positieve voorstellen van Cobb en Griffin worden niet uitgediept en er wordt ook abstractie gemaakt van het kader waarin hun wetenschapskritiek zich meestal heeft vormgegeven (de verhouding tussen wetenschap en geloof en de theologische consequenties van de evolutietheorie).
In het eerste hoofdstuk wordt bekeken wat men onder de neodarwinistische visie op de evolutie van het leven moet verstaan en hoe Cobb en Griffin deze begrijpen. Hiermee wordt geen definitieve invulling van het begrip neodarwinisme gegeven, maar door een korte historische schets wordt aangetoond waar deze visie vandaan komt en hoe ze door enkele belangrijke vertegenwoordigers wordt vertolkt. In het tweede hoofdstuk wordt er nagegaan hoe het neodarwinisme vanuit diverse wetenschappelijke hoeken onder druk is komen te staan. Hiermee wordt een bondig begrip gegeven van de wetenschappelijke kritiek die Cobb en Griffin relevant en ondersteunend achten voor hun betoog. In het derde hoofdstuk zal de kritiek van Cobb en Griffin zelf weergegeven worden. In een vierde en laatste stap wordt hun kritiek op het neodarwinisme becommentarieerd vanuit het oogpunt van deze studie: haar relevantie voor de biologie. Daarbij wordt de aandacht gevestigd op het verschil tussen een natuurfilosofische en een wetenschappelijke aanpak van het fenomeen evolutie van het leven.
Sleutelwoorden: Cobb, John B. Jr.; Griffin, David Ray; neodarwinisme; evolutietheorie; filosofie van de biologie; natuurfilosofie.

Creatieve commentaar:

Dit werkstuk (mijn eerste van dit formaat, want mijn licentiescriptie BMW was veel korter) schreef ik als kers op de taart (een hele dikke) om mijn bacheloropleiding in de filosofie af te werken. De kern van het werk vertrekt vanuit wat Cobb in Back to Darwin (2008) en Griffin in zijn laatste hoofdstuk in Religion and Scientific Naturalism (2000) trachten te doen. Ik presenteer hun werk met een meer historische en wetenschapsfilosofische aanpak van het neodarwinisme (en laat zoals eerder gezegd theologische en godsdienstfilosofische kwesties buiten beschouwing). Daarmee lever ik meer achtergrondinformatie dan Griffin en Cobb en wordt het neodarwinisme beter in zijn context geplaatst (hoofdstuk 1). Verder bundel ik heel wat kritische stemmen uit de evolutiebiologie (hoofdstuk 2).
De kritiek die ik op Cobb en Griffin formuleer is voornamelijk gericht op het feit dat ze het verschil tussen een zuiver wetenschappelijk en een natuurfilosofisch discours miskennen (hoofdstuk 4). Vooral Griffin veroorzaakt door zijn directe aanpak nogal wat kortsluitingen tussen metafysica en biologie. Deze kritiek dient verder vorm gegeven te worden in een reflectie over hoe de wetenschappen zich ten opzichte van de filosofie moeten verhouden en omgekeerd. Ook hoe men moet omgaan met de verschillende epistemische discoursen die de wetenschappen en de natuurfilosofie kenmerken en waarmee sommige wetenschappers zelf niet altijd zorgvuldig mee omspringen, is voer voor verdere reflectie. Deze scriptie is dan ook voor mij een startpunt om op zoek te gaan naar een midden tussen de revisionaire whiteheadiaanse opvatting over de verhouding tussen metafysica en wetenschap (die Griffin en Cobb min of meer vertolken) en een conservatieve whiteheadiaanse opvatting (die men min of meer kan terug vinden bij Ian Barbour en Charles Birch).
In een kort afsluitend hoofdstuk reflecteer ik verder over de verschillen tussen hen die op zoek zijn naar een nieuwe synthese in het evolutionaire denken: de kritische stemmen in hoofdstuk 2 enerzijds en de ideeën van Cobb en Griffin anderzijds. De cruciale vraag die hierbij naar boven komt is, hoe (constructief) postmodern deze nieuwe uitgebreide synthese zal worden. Hiermee ga ik verder met mijn duiding van een belangrijke discrepantie tussen de hervormingsprogramma's van de procesdenkers en deze van de biologische nieuwlichters die reeds in hoofdstuk 4 aan bod kwam.
De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

maandag 13 juli 2009

De matigheid van de positie van Charles Hartshorne in het abortusdebat

Referentie:

Bogaerts, Peter, "De matigheid van de positie van Charles Hartshorne in het abortusdebat", Schriftelijke Oefeningen - Ba2-Scriptie - Universiteit Antwerpen 2008-2009, 25 p.

Informatief extract:

De Amerikaanse filosoof Charles Hartshorne staat vooral bekend voor zijn wijsgerige theologie. Deze korte studie wil laten zien dat zijn werk ook bijzonder interessante ethische reflec-ties in zich draagt. In zijn ethische reflecties is vooral zijn abortusstandpunt opvallend. Na een korte uitzetting van Hartshorne’s ethiek volgt een uitgebreidere presentatie van zijn standpunt ten aanzien van abortus. Hartshorne formuleert een scherpe kritiek op de anti-abortusbeweging door te wijzen op verschillende eenzijdigheden in hun bepaling van de waarde van het ongeboren leven. Met het begrip ‘contributionisme’ wil hij op het onderwerp een theocentrisch licht laten schijnen. Vanuit de gedachte dat de waarde van het leven bepaald wordt in de mate dat het bijdraagt aan het leven van God, verdedigt hij dat niet alleen het menselijke leven intrinsiek waardevol is en dat de potentiële waarde van een foetus erg voorwaardelijk en relatief is ten opzichte van die van de actuele waarde van de moeder of van niet-menselijke dieren. Hartshorne laat de keuze voor abortus afhangen van het morele inschattingsvermogen van de moeder of de direct betrokken mensen. Hoewel hij matigheid als een belangrijke deugd ziet in zowel het dagelijkse leven als een principe voor filosofische reflecties, komt zijn abortusstandpunt op het eerste zicht extreem over. Er wordt dieper ingegaan op de sterkte van en de kritiek op Hartshorne’s standpunt en hoe die positie als een gulden middenweg kan gezien worden.

Sleutelwoorden: Hartshorne, Charles; abortus; contributionisme; matigheid; bio-ethiek; antropomorfisme.

[PDF-bestand weldra op http://antwerp.academia.edu/PeterBogAerts]

Creatieve commentaar:

Het is een werkstuk dat ik schreef om mijn schriftelijke vaardigheden in het tweede jaar filosofie (2008-2009) af te werken. Het is een kort maar grondig werkstuk over Hartshorne's uitdagende standpunt in het abortusdebat dat zijn actualiteit niet heeft verloren. Men kan er ook een korte weergave van Hartshorne's theocentrische ethiek in terugvinden. Hierboven staat slechts het abstract. De hele tekst wordt met een mailtje naar de auteur naar u digitaal verzonden.

zondag 23 november 2008

Plannen voor offensief tegen Darwin, een spijtige zaak.

Referentie:

van Calmthout, Martijn, "Plannen christenen voor actie tegen Darwin", De Volkskrant, 18.11.2008 (geraadpleegd op 23.11.2008).

Medema, Marnix, "Scheppingsbrochure is anti-reclame", Nederlands Dagblad, 18.11.2008 (geraadpleegd op 23.11.2008)

Met dank aan Taede Smedes voor de referenties (www.TASMEDES.nl)

Informatief extract:

AMSTERDAM - Een deel van kerkelijk Nederland maakt zich op voor een massa huis-aan-huis actie tegen de evolutietheorie van Darwin, begin volgend jaar. Bij de actie zou bij zes miljoen huishoudens in het land een brochure worden bezorgd waarin evolutie net zo goed een geloof wordt genoemd als de Schepping. Lees meer.

Creatieve commentaar:

Het worden weer hevige tijden voor Darwin-aanbidders en Darwin-vervloekers. Vrijzinnigen maken zich in Nederland reeds op om de verjaardag van The Origin te vieren met een congres waarbij een koor van vrijzinnige sprekers eensgezind de loftrompet zal steken voor het belang van Darwin voor hun 'geloof' (http://www.darwinday.nl/). Ondertussen maken zij die Darwins theorie als de anti-christ zien zich op voor een nog hevigere strijd (zie www.creatie.info).

Dit blog richt ik tot mijn evangelische broeders die misschien ook de bedelbrieven om geld voor een anti-Darwin initiatief hebben gehad of zij die later nog de folders zelf in hun bus zullen krijgen met de vraag ze te verspreiden. Maar ook mijn vrijzinnige medemens wil ik vragen Darwin niet voor eigen levensbeschouwelijke kar te spannen: niemand, ongelovig of gelovig, heeft daar baat bij en de biologie zeker niet.

Mensen die denken dat het aanvechten van de evolutietheorie een goede manier is om het ongeloof te bestrijden, promoten een geloof dat gebaseerd is op vermeende wetenschappelijke kennis: de (vermeende) kennis dat de evolutietheorie niet bewezen kan worden of dat ze zelfs vals is. Dit betekent dat als de juistheid van de evolutietheorie hen ooit duidelijk wordt, dat ze zullen moeten besluiten dat hun geloof op zand is gebouwd en voor de vuilbak is.

Gelukkig is niets minder waar, het christelijk geloof is sterker dan de juistheid van de evolutietheorie. Ik zou zelfs zeggen dat mijn geloof sterker is dankzij de evolutietheorie, maar daar ga ik nu niet op in.

Zij die ten strijde trekken tegen de evolutietheorie, trekken ook op tegen de vele christenen die zich verzoend hebben met de evolutietheorie. Ze vallen dus niet alleen het ongeloof aan, maar ook het geloof. Een creationistische strijd is daarom niet erg collegiaal. Moeten we aan ongelovigen per se de Vlaamse creationistische evangelicale versie van het christendom opdringen? Gaat het om mensen de liefde van Christus te laten kennen of om ónze kerken vol te krijgen? Streeft evangelisatie een wereldlijk doel na of een geestelijk? Evangelisatie moet zich richten op wat ons bindt en niet op wat ons verdeelt. Aangezien het creationisme een zwaar breukpunt is binnen het protestantisme en met het katholicisme, lijkt het me niet verstandig om hiermee uit te pakken.

Wordt het geen tijd dat we een pluralisme binnen de kerk leren aanvaarden en waarderen? We kunnen allemaal van elkaar leren. Dat betekent niet dat we ons gedacht niet mogen zeggen en verdedigen, maar dat het niet slecht is om andere mogelijkheden te vermelden. Niets is gevaarlijker en gemakkelijker dan het alleenrecht op de volledige waarheid op te eisen of valse dilemma's te promoten.

Mag er dan niet gereageerd worden op zij die Darwin gebruiken om het ongeloof te promoten? Natuurlijk, maar het lijkt mij beter om hier verschillende stemmen te laten horen en de mensen zelf te laten nadenken wat hun het meest inspireert om bij te dragen tot de liefde van Christus: laat ze niet kiezen voor of tegen Darwin, maar voor God. Wat is het meest essentieel?

Tot slot nog een korte nota: we hoeven natuurlijk niet het ongeloof te 'bestrijden', het is voldoende als we de ongelovige 'verleiden'. Aangezien zo'n propagandamachine snel lijkt op een strijd is daarom al erg ongepast. Het feit dat de folder m.i. heel manipulatief en achterhaald met de evolutietheorie omgaat, laten we nu buiten beschouwing. Gelukkig zijn er alternatieven, spijtig genoeg krijgen ze weinig aandacht.

zondag 26 oktober 2008

Hartshorne's filosofie van gulden middenweg

Referentie:

Hartshorne, Charles, Wisdom as Moderation - A Philosophy of the Middle Way, Albany, NY: SUNY, 151 p.

Informatief extract:

One of the great philosophers sets forth his idea of philosophical wisdom as a mean between extremes in the philosophy ofl ife and religion, with applications to ethics, aesthetics, metaphysics, philosophy of religion, and practical affairs. This work brings to a new focus the unity of Hartshorne's thought as a whole, showing the relationship between good philosophical sense and good common sense.

uit: Flux Bookstore (laatste raadpleging 7.10.2008)


Creatieve commentaar:

Naar eigen zeggen zoekt Hartshorne de gulden middenweg in de filosofie. Een middenweg tussen hoogdravende metafysica en de anti-metafysische wending in de twintigste eeuw, een middenweg tussen materialisme en idealisme, een middenweg tussen cartesiaans dualisme en materialisme, een middenweg tussen 'pro-life' en 'pro-choice', een middenweg tussen een naïef antropocentrisme en 'alle dieren zijn gelijk', een middenweg tussen een almachtige, alwetende, volledig onveranderlijke en onbeweeglijke god en het atheïsme, een middenweg tussen een hemelse carrière en een vergeten zinloos bestaan.

Al deze tegenstellingen komen aan bod, maar Hartshorne vertrekt vanuit een zoektocht naar een middenweg in de esthetica. Zoals bij Whitehead is bij Hartshorne de esthetica de motor van zijn filosofie en dus het vertrektpunt om ook een middenweg in de metafysica te zoeken.

Het boek bevat één hoofdstuk dat iets technischer is, maar voor het overige is het heel leesbaar geschreven. Verwacht geen te ver doorgedreven filosofische redeneringen, maar een goede inleiding in het denken van deze filosoof door de filosoof zelf met een zeer uitgebreide variatie van thema's. Met betrekking tot een aantal thema's wijkt de auteur af van de klassieke christelijke visie, maar recht door zee en scherp als hij is levert hij goed materiaal om die klassieke visies bij te stellen of aan te scherpen. Dit boek daagt zowel de klassieke christen als klassieke atheïst uit tot een weerwoord.

maandag 2 juni 2008

De Koran lezen met Hans Jansen



Referenties:

Rondas, Jean-Pierre, "Hans Jansen Arabist leert ons zelf de Koran te lezen.", Klara, 25.5.2008, 11u.

Jansen, Hans, Zelf Koran lezen, Amsterdam: Arbeiderspers, 2008, 226 p.

Informatief extract:

Hans Jansen Arabist leert ons zelf de Koran te lezen. Hans Jansen gaat door met zijn verlichtingswerk inzake de Islam en het heilige boek van deze openbaringsgodsdienst, de Koran. Sommige critici willen uit de Koran de ergerlijke bladzijden uitscheuren, anderen willen die bladzijden dan weer toeplakken. Toch kennen heel veel mensen op deze aardbol de Koran niet alleen uit het hoofd; ze putten er ook nog eens inspiratie uit, in weerwil van de voor het Westen aanstootgevende passages die tot geweld tegen de ongelovigen oproepen. Daarom is een betere optie dan uitscheuren of toeplakken misschien die Koran te leren lezen. En Hans Jansen helpt ons daarbij een handje.

[Klara website]

Creatieve commentaar:

De Koran leren lezen en begrijpen. Ik heb thuis een vertaling van de Koran liggen waaraan Jansen nog meegewerkt heeft. Die kon je vorig jaar in het kader van de Islam-actie van De Standaard gratis krijgen. Ondertussen heb ik er nog niet veel mee gedaan. Hopelijk kan ik er deze vakantie tijd voor maken.

Als men Jansen moet geloven is het geen gemakkelijk opgave, zelfs niet voor schriftgeleerden. Want het blijkt dat de Koran lezen is niet hetzelfde als de Bijbel lezen. Zowel inhoudelijk als structureel zijn er grote verschillen en de onduidelijkheden in de Koran blijken groter. Gedeeltelijk zijn de problemen met Koranlezen ook gemeenschappelijk met de problemen met Bijbellezen. De problemen met de Koran worden in deze aflevering duidelijk geschetst. Het probleem van de afwezigheid van klinkers in het Arabisch (zoals ook in het Hebreeuws), de gelijke symbolen voor verschillende medeklinkers, passages met een heel ongewoon vocabularium en de dikke laag van traditionele interpretaties die over Koran ligt. Inhoudelijk problematisch is dat de Koran sterke literalistische (letterlijk lezen) aanwijzingen bevat, die de Bijbel niet heeft. Aan het christendom blijkt nog wel verbouwd kunnen te worden, maar verbouwingen aan de islam lijkt voor Hans Jansen een zeer gewaagde onderneming met weinig slaagkansen.

Zelf vrees ik dat Hans Jansen wel eens gelijk zou kunnen hebben. Maar als christen en bijna-Islam-dummy is het natuurlijk niet mijn taak om dit te zeggen en zelfs Islam-specialisten moeten voorzichtig zijn. Zoals het een opgave voor christenen zelf was en is om op een vernieuwde manier met hun geloof om te gaan, zullen ook de moslims zelf over hun erfenis moeten oordelen. Kritische beschouwingen van academici kunnen hierbij wel helpen, maar zullen zeker niet volstaan omdat ze ook een omgekeerd effect kunnen hebben zoals dit bij de opkomst van literalistische stromingen binnen het protestantisme is geweest.

Het spreekt bijna voor zich dat het 'uitscheuren' of 'dichtplakken' van koran- of bijbelpagina's een vrij kinderachtige manier is van omgaan met een religieuze erfenis. Zoals het naïef rondstrooien van bijbels of evangeliën door evangelische christenen ook niet echt de beste methode is om de blijde boodschap te verspreiden. Het lezen van de Bijbel, en waarschijnlijk ook van de Koran, moet immers kunnen terug vallen op een bepaalde leescultuur. De verandering van leescultuur is een zeer belangrijke uitdaging voor een mogelijke vernieuwing in religies waar de Schrift een belangrijke positie inneemt.

De stap van een traditionele leescultuur naar een 'post-kritische' leescultuur is weliswaar een moeilijke stap om te zetten, maar m.i. zeker de moeite waard. Sterke voorbeelden kunnen zeker helpen.

dinsdag 1 april 2008

Rondas in gesprek met McGrath

Referentie:

Rondas, Jean-Pierre, "God is Groot! Neen, niet! Toch wel! Met Alister McGrath.", Klara 30.3.2008, 11u.

Informatief extract:

God is Groot! Neen, niet! Toch wel! Met Alister McGrath. Het aantal atheïstische pamfletten (Dawkins, Dennett, Hitchens, Harris) dat de markt overspoelt is niet meer te tellen. Dat komt niet omdat het atheïsme zelf in opmars zou zijn, maar de laatste tijd schreeuwt het wel heel hard. Daarom keert de beroemde Engelse filosoof McGrath (zelf ooit atheïst geweest) het om: in plaats van de zoveelste weerlegging te schrijven, schrijft hij de geschiedenis en de ondergang van het atheïsme zelf als een "Decline and Fall of the Roman Empire". Vooral het ondertussen vervelende voortdurende opponeren van wetenschap en geloof moet het ontgelden, evenals de onverdraaglijk fanatieke kantjes van het atheïstische geloof.

[http://www.klara.be/html/08033039900.html]

Creatieve commentaar:

Enige verdieping op de spreekbeurt van McGrath in Antwerpen, kan men vinden in het gesprek dat Jean-Pierre Rondas met McGrath had en dat werd uitgezonden op Klara. Gelukkig kan men het herbeluisteren via de Klara website.

In het begin lijkt het dat er grosso modo hetzelfde gezegd wordt als op de lezing, maar het gesprek gaat zeker dieper dan de lezing, zeker m.b.t. het atheïsme. Bovendien voel ik hier een meer spontane en ook scherpere McGrath. Hij neemt hier een duidelijkere afstand van het 'fundamentalistische' protestantisme en het creationisme. En er is een levendige interactie tussen Rondas en McGrath.

De volgende commentaar is een beetje spijkers op laag water zoeken, maar ik zou toch enige opmerkingen willen plaatsen op wat McGrath zei.

Ik zou hier willen opmerken dat McGrath de reële situate i.v.m. het letterlijk bijbellezen en het creationisme zowel historisch als actueel niet helemaal correct weergeeft. Zowel in Groot-Britanië, Nederland als Duitsland zijn er sterke kernen van creationisme, die putten vanuit een zekere latente geloofstraditie: zowel vanuit traditioneel protestantse als vanuit evangelicale en pinksterbewegingen. Vanwege hun Amerikaanse invloed zijn er bij deze laatste evenwel frequenter radicalere vormen van creationisme op te merken. De scherpe vormen van creationisme uit Amerika lijken mij ook de latente weerstand tegen de evolutietheorie in orthodoxe protestantse en islamitische kringen te hebben gevoed.

Ook in katholieke landen zoals Polen en Italië komen vandaag anti-evolutionaire tendensen naar boven. Deze katholieke anti-evolutionaire reacties vroeger en vandaag zijn dan misschien niet literalistisch van karakter, maar zeker wel theologisch gemotiveerd. En hoewel er van in het begin van de opkomst van het evolutionisme openheid was bij katholieke wetenschappers, is er lang een duidelijke weerstand tegen de evolutietheorie geweest vanuit het Vaticaan, vnl. m.b.t. de mens. Een meer genuanceerde omgang met de bijbel en een zekere vrijheid voor wetenschappelijk onderzoek in de katholieke Kerk hebben een voedingsbodem voor een sterke creationistische beweging als "Scientific Creationism" belet. Maar pas met de encycliek Humani generis in 1950 ontstond er een officiële opening om openlijk over evolutie te praten.

Ik heb het gevoel dat McGrath door zijn refereren naar Augustinus de spanningen te rooskleurig voorstelt en ze beperkt tot het fundamentalistische protestantisme. Augustinus heeft zeker de positie van de katholieke kerk en de meeste protestantse stromingen in de relatie tussen geloof en wetenschap in de goeie richting gestuurd, maar daarmee is niet alles gezegd.

McGrath haalt Augustinus aan om zijn positie te verdedigen, maar vorig jaar hoorde ik nog een 'gereformeerd wijsgeer' (Marc de Vries, op 18.10.2007 in Deurne) in een lezing over geloof en wetenschap met Augustinus pronken om dan uiteindelijk een halfslachtige creationistische positie te verdedigen. Augustinus is voor veel conservatieve protestanten misschien voldoende om een pseudo- en anti-wetenschappelijk offensief als het "Scientific Creationism" te temperen, maar niet voldoende om de evolutietheorie aanvaardbaar te maken.

Voor een uitgebreider historisch verhaal zie vb.:
* De Bont, Raf, Darwins kleinkinderen, De evolutietheorie in België 1865-1945, Nijmegen: Vantilt, 2008, 523 p. (vnl. hoofdstukken 1, 5 en 9).
* Forster, Roger - Marston, Paul, "Conflict throughout history between Christianity and Science?", in: Reason and Faith, Eastborne: Monarch, 1989, p. 277-342.
* Smedes, Taede A., "Wat is creationisme?" uit "Is 'Intelligent Design' creationisme?" in: Niet los van God? - Geloof en wetenschap, Didier Pollefeyt en Ellen De Boeck (red.), Leuven: Acco, 2007, p.199-205.

* M.b.t. creationisme in Nederland zie vb. de programma's en publicaties van de EO in de jaren zeventig, de beruchte publicatie van Peter Scheele.
* M.b.t. creationisme in Duitsland zie vb. "Anti-evolutionists raise their profile in Europe", Nature 444 (2006), p.406-407.

maandag 24 maart 2008

McGrath strateeg of verstopper

Referenties:

1. McGrath, Alister, "The Limits to an Darwinian Worldview: A philosophical and religious perspective", Lezingenreeks: Zijn er grenzen aan een darwinistische levensbeschouwing, Antwerpen: UCSIA, 19-20.3.2008.

2. Thomas, Job, "McGrath in A'pen", 20.3.2008, http://jobthomas.wordpress.com/2008/03/20/mcgrath-in-apen/ (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

3. "Richard Dawkins and Alister McGrath", Video-Google.com, http://video.google.com/videoplay?docid=6474278760369344626 (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

4. McGrath, Alister, Geloof en natuurwetenschap: een introductie, Kampen: Kok, 2001, 259 p.

5. De Cavel, Filip, "Alister McGrath in Antwerpen", 19.3.2008, http://filipdecavel.wordpress.com/2008/03/19/alister-mcgrath-in-antwerpen/ (laatst geraadpleegd op 24.3.2008).

Creatieve commentaar:

Ik vind dat McGrath de interessantste thema's uit de weg is gegaan (1). Ik dacht vanuit de aankondiging dat hij het ging hebben over de evolutionaire verklaringen van de religie. Een domein waar ik niet zo in thuis ben en waar ik graag wel wat meer had over willen weten. Nu als de 'memetica' het enige is dat er op de markt is, dan is er nog veel werk te doen. Andere interessante thema's worden gauw nogal technisch voor een breed publiek: een iets diepere behandeling van het teleologieprobleem in de biologie, het reductionismedebat, het naturalisme-supernaturalisme debat, de reikwijdte van biologische verklaringen, de concrete impact van de evolutietheorie op de theologie etc. Het laatste thema behandelde hij eigenlijk niet en de andere thema's werden ofwel slechts vermeld ofwel oppervlakkig besproken. Nu dat is geen verwijt, want dat lag waarschijnlijk niet in zijn opdracht.

Ik moet hier wel opmerken dat men moet oppassen in hoeverre men darwinistische levensbeschouwingen, wereldbeelden en dito verklaringen vereenzelvigt met evolutionaire levensbeschouwingen, wereldbeelden en dito verklaringen. In de lezingenreeks kwam dit niet duidelijk genoeg aan bod. Darwinistisch zou slechts moeten gebruikt worden als men heel nadrukkelijk beroep doet op het natuurlijke selectie principe terwijl evolutionair een veel breder begrip is. De visies van Dennett en Dawkins kan men darwinistisch noemen. Maar de evolutietheorie is veel breder en rijker dan natuurlijke selectie, al kan men er nooit naast. Ik zou het spreken over darwinistische levensbeschouwingen en wereldbeelden liefst tot een minimum beperkt willen zien.

Alleen al omdat ik de tekst van de lezing vooraf had gekregen, bracht de lezing zelf me inhoudelijk weinig nieuws bij. Maar het was me wel een evenement om in het hol van de leeuw zoveel creationisten en aanverwanten bij elkaar te zien. Het hol van de leeuw, want zowel in het kader van de lezingen als in het kader van een universiteit wordt geen goed woord over het creationisme gesproken.

Door de tekst, de lezing en het seminarie heb ik Dawkins weer een klein beetje beter leren kennen en McGrath maakte in zijn tekst hier en daar gebruik van een aantal voor mijn nog onbekende referenties die voor mijn studie in de filosofie van de biologie nog wel kunnen van pas komen. Het tweede deel van de lezing bevestigde wat ik al dacht sinds ik met het begrip 'meme' kon kennis maken: dat het niet de moeite is om dieper op in te gaan. Nu was zijn uitleg wel interessant voor het geval ik zelf ooit wordt gevraagd om er iets over te zeggen. Maar ik ga me niet met veel plezier bezighouden met iets waarvan ik denk dat er alleen de wetenschappelijke waardeloosheid van kan aangetoond worden. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom ik in de vijf jaar dat ik me met 'geloof en wetenschap' actief bezig houdt, nog niets van Dawkins zelf heb gelezen. Iedere keer dat ik hem in de literatuur tegenkom, lijkt hij vanuit biologisch standpunt zijn nutteloosheid te bewijzen. Zijn verdediging en popularisering van de evolutietheorie is weliswaar briljant, maar tegelijk verkleutert hij de biologie en heeft hij maatschappelijk een enorm vertekent beeld van de biologie teweeg gebracht. De rijkdom, verscheidenheid, nuances, moeilijkheden en evoluties van het biologisch onderzoek over evolutie komen niet voldoende aanbod.

Vanuit filosofisch standpunt is het een draak, waarvan men moeilijk kan zeggen dat het om degelijke filosofische arbeid gaat. Daardoor is hij ook een gemakkelijke schietschijf. Wat mij betreft is Dawkins vooral interessant voor de Science Studies : de sociologie van de wetenschappen. De enige reden om hem te lezen is omdat hij veel gelezen wordt en daardoor maatschappelijk relevant is, maar de bedenking dat er betere dingen zijn om te lezen maakt dat ik er maar niet kan aan beginnen. McGrath's onderneming is daarom heel lovenswaardig, het spaart mij veel tijd.

Het debat echter tussen McGrath en Dawkins dat ik via een medestudent een paar maanden geleden op internet kon vinden en waarnaar Job (2, 3) ook verwijst, is wel boeiend. En dat komt omdat Dawkins hier genuanceerder is. Maar door gebrek aan kennis van theologie en filosofie/metafysica aan de kant van Dawkins zitten daar ook weer de beperkingen van zo'n dialoog. Spijtig genoeg was het debat waarschijnlijk al te genuanceerd en beschaafd om effectief uitgezonden te worden op televisie. Leve het internet.

Dennett plaatst vanuit filosofisch standpunt een interessantere verdediging van het ultradarwinisme en juist die behandelt McGrath minder. De kraan-hemelhaken metafoor had best wat meer aandacht verdient, want het is hierop dat Intelligent Design en het religieuze denken over de interactie tussen God en wereld zich vastrijdt.

Ik heb McGrath intussen meer dan vier jaar geleden leren kennen door het zeer degelijke boek dat Job voor zijn thesis gebruikte (4). Vanuit academisch opzicht is dat een heel verdienstelijk werk: de geschiedenis van dialoog tussen geloof en wetenschap wordt op een voortreffelijke manier weergegeven en heeft me veel bijgebracht. En toch miste ik iets in dat boek, wat ik woensdag en donderdag ook miste: passie voor wetenschap en duidelijke verdediging van de waarde van een evolutionair wereldbeeld voor het christelijk geloof. Het lijkt mij dat voor McGrath de dialoog tussen geloof en wetenschap slechts een intellectueel project en opdracht voor de theoloog is. Dat inzicht op zich is al lovenswaardig. Maar ik wil passie voor wetenschap voelen, passie die men wel bij de door McGrath aangehaalde Pierre Teilhard de Chardin vindt. Een passie die ik ook bij een schrijver als Sjoerd Bonting vind en op een zachtere manier bij Jan Van der Veken. In het spoor van Teilhard de Chardin, maar niet op dezelfde manier wil ik het evolutionaire denken omarmen en als een meerwaarde voor het christelijk geloof denken.

Als ik McGrath's Geloof en Natuurwetenschap las, was het voor mij niet direct duidelijk in hoeverre hij zelf van de evolutietheorie overtuigd was en ook in deze lezing was dat niet duidelijk genoeg. Daardoor kan zijn lezing in sommige ogen een te reactionair accent hebben gekregen. In het seminarie van donderdag verdedigde hij het evolutionaire denken iets meer. Hoewel hij de wetenschappelijke materie goed kent en ze naar zijn hand zet, voel ik te weinig betrokkenheid met het wetenschappelijke project. Een gemis aan betrokkenheid met de wetenschappen geeft terechte kritiek op de wetenschappen of beter mensen die denken in naam van de wetenschap te schrijven gemakkelijk een louter defensieve indruk, waardoor ook elk creatief aanwenden van wetenschappelijke data ter verdediging van een christelijk geloof eerder op opportunisme lijkt.

Tussen de 'doorsnee' en minder doorsnee creationisten, waren er ook mensen van de ETF (Evangelisch Theologische Faculteit, Leuven), mensen die hem ook in hun midden hadden uitgenodigd (2). Een goede zaak, maar hoe serieus nemen ze bij de ETF de dialoog tussen wetenschap en geloof? Iets wat ik als een van de pijnpunten vind in evangelisch Vlaanderen: want iedere scholier wordt er mee geconfronteerd. Ik heb signalen gezien dat een aantal ETF'ers zich soepeler opstellen tegenover de wetenschappen: dikwijls slechts de geologische tijdrekening, maar elke stap vooruit is een goede. Maar in hoeverre gaan ze mee met een theologisch project als dat van Alister McGrath, dat zeer voorzichtig progressief kan genoemd worden? Of is de zesdaagse schepping van de wereld in 4004 v. Chr. nog steeds een mijlpaal in de cursus Oude Testament? Graag feed-back van ETF-insiders.

Durft Alister McGrath op de ETF toegeven zoals in de dialoog met Dawkins dat Adam en Eva best begrepen worden als mythische figuren? Ontwijkt hij de moeilijke punten om strategische redenen of speelt hij verstoppertje? Als het een strategie is, dan doet hij het zeker meesterlijk. Maar toch heb ik er mijn bedenkingen bij.

Filip (5) zei dat er waarschijnlijk geen hardcore evolutionisten waren op die avond. Ik wil mezelf best wel als hardcore evolutionist beschouwen, maar ook diegenen die Filip waarschijnlijk bedoelt heb ik gezien. Wat ze van McGrath denken weet ik natuurlijk niet, maar ik heb Kris Verbrugh, een ontzettend getalenteerde student geneeskunde met twee populair wetenschappelijke boeken op zijn kerfstok, wel een praatje zien slaan met McGrath. Hopelijk kan hij de nuances die McGrath meegeeft verwerken in een volgend boek. Moest dat het geval zijn, dan heeft McGrath zijn effect niet gemist.

Nu wees McGrath tijdens de vragen op iets wat men in een christelijk denken over de natuur nooit uit het oog mag verliezen: een 'binocular view': zowel naar het mooie als het lelijke in de natuur kijken. Te veel heeft de theologie de ambiguïteit van het bestaan slechts als een antropologisch probleem gezien (zonde). Maar een klare hedendaagse kijk op de natuur leert dat dit niet voldoende is. Aan deze ambiguïteit moet men als christen niet alleen een scheppingstheologie koppelen, maar ook een theodicée en een eschatologie. Het gebrek aan aandacht voor de ambiguïteit in héél de natuur in de (natuur-)theologie van de 19de eeuw heeft Darwin zijn geloof gekost. Daar wees McGrath onrechtstreeks heel terecht op. Voor velen met Darwin en ook vandaag nog is dit een dooddoener. De potentiële en actuele christelijke waarde van Intelligent Design als ook het creationisme worden onder meer door deze ambiguïteit erg problematisch.

Vanuit een evolutionair wereldbeeld kan men m.i. aan dit probleem veel beter werken (bv. d.m.v. het procesdenken) en dat maakt voor mij de dialoog tussen wetenschap en geloof meer dan de moeite waard om mee bezig te zijn.